Hotdogman

Met logge stappen komt de eenvoudige man de winkel binnen: morsige kleding, rode wangen, verweerd gezicht. Hij draagt geen klompen, maar het had goed gekund. In stilte kijkt hij naar de bakjes met vleeswaren, kazen en groenten die ik aan het bijvullen ben.
“Kan ik u ergens mee helpen?” vraag ik.
De man schudt zijn hoofd en zegt: “Je hebt toch niet wat ik wil.”
Apathisch staar ik naar mijn bakjes. Het zijn er heel veel.
“Waar zat u aan te denken dan? We hebben bijna alles.”
“Tss,” doet hij. “Dit heb je vast niet.”
Het klinkt alsof hij eraan gewend is om teleurgesteld te worden. Niet alleen wat betreft belegde broodjes, maar in alle facetten van zijn leven. Opeens voel ik de onbedwingbare behoefte het tij te keren. Met rollade, met kip, of desnoods salami.
“Dat zullen we nog wel eens zien,” bluf ik. Het komt er strijdvaardig uit, maar eigenlijk ben ik best bang dat de man daadwerkelijk iets onmogelijks bestelt. Bijvoorbeeld levende wormen, of een varken aan het spit. De man trekt zijn wenkbrauw op. Dan dropt hij de bom.
“Ik wil een hotdog. Een échte, U-S-of-A... hotdawg.”
Hij straalt terwijl hij de woorden uitspreekt.
Nu ben ik de lul, zoveel is duidelijk.
“Oei...” zeg ik. “Ik heb heel veel, maar geen hotdog.”
“Ha!” spuwt de man. “Zie je wel. Je hebt het niet."
“... Misschien een broodje warm vlees?”
Hotdogman negeert mijn suggestie. Hij schuifelt verder en neemt nu plaats tegenover mijn collega. Ik vraag me af of ik hem beledigd heb met mijn voorstel.
“Ik wil een hotdog,” zegt hij. “Zoals in de United States of America.”
“Poe,” zegt ze. “Bij de Hema?”
“Dat mag geen hotdog heten,” roep ik. “Geen U-S-of-A... hotdawg.”
Zonder ons nog een blik waardig te gunnen, sloft de man de winkel uit. Hij haalt zijn degelijke herenfiets van het slot. Een Batavus uit 1957, schat ik. Ik stel me voor hoe hij op die fiets helemaal uit Zwaagwesteinde is gekomen, in de hoop dat er in de grote stad Leeuwarden toch zeker wel een hotdog te krijgen zou zijn. Arme man! Geboren in het verkeerde lichaam – namelijk dat van een Friese boer, in plaats van een Texaanse ranchbezitter. Met heel mijn hart hoop ik dat Hotdogman vindt wat hij zoekt. Oppe fiets, misschien wel helemaal tot in de U-S-of-A.


Vrijdag 09 September 2016 op 08:52  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Ongelijk

Het is druk in de trein. “Een hele volksverhuizing,” zoals een oudere man met een rond brilletje het noemt. We zitten in het halletje op heel kleine stoeltjes en de ruimte ruikt naar urine. Naast me zit een vrouw te lezen op een e-reader. Jaar of veertig, saaie bril, stevige wandelschoenen. Het lijkt me iemand die overal het meest degelijke en duurzame model van koopt. Aangezien ik zelf ooit ook een e-reader wil, besluit ik even op haar schermpje te gluren naar het merk en de beeldkwaliteit. Het is helemaal niet mijn bedoeling om mee te lezen, maar toch springen een aantal zinsneden onmiddellijk in het oog. Een kleine bloemlezing: “hij haalde zijn stijve pik tevoorschijn”, “gooide haar tegen de muur” en “ze vreeën op de keukentafel.”
In shock neem ik haar verschijning nogmaals in me op. Het contrast is overweldigend. Haar kleding is geheel beige en haar gezicht emotieloos, alsof ze een vogelgidsje aan het doorbladeren is, of de nieuwste folder van de Lidl. Niets verraadt dat ze en public dingen zit te lezen over stijve geslachtsdelen, maar als je zoiets dan eenmaal weet, is het verdomd moeilijk te unseen. Nonchalant probeer ik wat uit het raam te kijken. In de reflectie zie ik dat er een stompzinnige grijns op mijn gezicht gepleisterd zit.
Ik hoop dat het overgaat. Nog anderhalf uur en ik zit op een soort netwerkbijeenkomst met allemaal mensen die ik niet ken. Mensen die – net als ik – wel eens een schrijfavond organiseren. Ik vind dat spannend, maar dat is niets nieuws. Ik vind heel vaak dingen spannend, groot of klein. Daardoor wordt iedere gelegenheid een strijd. Ga ik wel? Ga ik niet? In godsnaam, hoe zeg ik af? Moet ik een reden noemen? Per mail of telefonisch? Maar dat is dan een smoes! Misschien moet ik gewoon gaan? Ik kan altijd nog weg. Achteraf is het vaak wel leuk. Zal ik zeggen dat mijn hond onwel is geworden?
Enzovoorts.
Het wikken en wegen kan zo een halve dag in beslag nemen.
Een paar uur voordat ik op de trein stapte, vertelde ik een boezemvriend nog over mijn steeds terugkerende verlangen om dit soort gelegenheden af te zeggen. “Luister naar je gevoel!” grapte hij. “Als ik naar mijn gevoel zou luisteren,” antwoordde ik, “dan zou ik nooit meer de deur uitkomen.” We lachten, maar eigenlijk was er geen grap. Ons 'ha-ha-ha' had net zo goed een noodlottig snikken kunnen zijn.
De trein komt op tijd aan en ik wandel naar het adres.
Het blijkt, uiteraard, het verkéérde adres te zijn.
Drie telefoontjes en een ellenlange wandeling later, merk ik dat de spanning eindelijk uit mijn lichaam verdwenen is. Ik ben inmiddels ruim drie kwartier te laat en dus is mijn eerste indruk reeds naar de tering. Dat lucht op! Vanaf nu kan het alleen nog maar beter kan worden. De bijeenkomst vindt plaats in een zogeheten flexwerkruimte voor – zo stel ik me voor – young urban professionals. Kordaat stap ik de geheel witte ruimte binnen. In het midden staat een grote tafel met daarop een luxe lunch. Het eten ziet er veel te goed uit en de andere genodigden ook. Het voelt een beetje alsof ik een Instagram-account ben binnengewandeld. Er is speltbrood en er zijn heel veel verantwoorde salades en shit. Ik doe een verwoede poging mijn haar in het gareel te krijgen. Door de wandeling in de brandende zon zit het als een vettig legokapsel op mijn voorhoofd geplakt.
“Mijn leven is zo moeilijk,” mompel ik. Daarna: “Hallo.”
Terwijl ik plaatsneem, denk ik alweer heel veel dingen: “Deze mensen zijn te perfect. Ze kunnen vast heel goed praten, hun kapsels zitten ook beter en hun schrijfavonden worden vast druk bezocht. Ze weten wat een pitch is, ze kunnen doorpakken, hun doelen zijn stippen aan de horizon en ze hebben geen verrekijker nodig om ze te zien. Mijn god, ze hebben daar waarschijnlijk een app voor. Dadels?!"
Het stemmetje in mijn achterhoofd is vrij hardnekkig. Ik denk aan de beige vrouw en hoe je er soms kilometers naast kunt zitten op basis van een eerste impressie. Achtentwintig jaar later weet ik ook best dat het allemaal vaak een kwestie van acclimatiseren is. Gewoon blijven zitten, dus. Niet te lang stilstaan bij die olijf die al drie keer van mijn vork gevallen is. Niemand denkt daar iets van. En jawel: uiteindelijk blijken deze perfecte mensen ook maar gewone stervelingen met hun eigen worstelingen en onzekerheden. Mensen die ook wel eens hun handen nodig hebben om een moeilijk stukje sla in hun mond te proppen.
Ik leer veel en stap uitgeput maar voldaan op de trein terug naar het Noorden. Daar gaat het verrassingsfestijn gewoon door. Bij het instappen passeer ik twee blitse Marokkaanse jongens, petjes op de hoofden en smartphones in de aanslag, nonchalant smakkend op heel veel kauwgum. Ze zien er – eerlijk is eerlijk – niet uit als de braafste jongens van de klas.
“Mam!" spuwt een van de jongens in zijn telefoon. "Wat eten we vanavond? Willen we weten.”
Er klinkt een schelle, belerende stem uit het apparaat.
Mem op de speaker, zoveel is duidelijk.

“Dat zien jullie vanzelf wel.”
“Wat dan? Wat gaan we eten? Zeg gewoon, ja?”
“Wees blij dat er eten is.”
“Wattan?! Mam! Zeg het.”
De verbinding wordt verbroken en de jongens zuchten. Om me heen hoor ik gegniffel. Ik weet dat alle mensen in de coupé hetzelfde denken: “Eigenlijk heel gewone tienerjongens.” Toch zullen we een volgende keer waarschijnlijk massaal in dezelfde valkuil trappen en een soortgelijk duo wederom met lichte argwaan bekijken. Daarvoor zijn we mensen: hardleers en hoe dan ook bevooroordeeld, onze predisposities en drang om alles en iedereen te categoriseren onontkoombaar. Zo weet ik ook dat ik voor een volgende bijeenkomst gewoon wéér nerveus zal zijn, alle eerdere ervaringen ten spijt. Waarschijnlijk leer ik het nooit. Misschien is blijven proberen dan het beste wat een mens kan doen. Voorbij de eerste indruk en (voor de mede-mietjes) dwars tegen het gevoel in. Het is de enige manier om zo nu en dan je fantastische ongelijk te halen.


Vrijdag 02 September 2016 op 09:14  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Fûgel

Sinds kort heb ik een vogel.
Hij ligt bij mijn achterdeur en is al een tijdje dood.
Mijn nieuwe huisdier heb ik te danken aan de kat van de bovenburen; ik aai het beestje vaak even over zijn kopje als ik mijn fiets in de tuin zet. Als blijk van waardering verschijnen er nu dus met enige regelmaat kadavers voor mijn achterdeur. Eerst waren het muisjes, daarna volgde de grand finale: een flinke kraai. Zijn lichaam was eerst nog fier en vol, maar al snel verscheen er een slijmerig laagje op de veren en leek alle massa uit het beest weg te sijpelen. Als een luchtbed dat langzaam leegloopt.
Het duurde niet lang voordat Operatie Dode Vogel mijn leven volledig beheerste. Iedere dag opnieuw nam ik me voor om de vogel op te ruimen. Mensen vroegen: “Heb je nog plannen voor de zomer?” Ik antwoordde: “Niet zoveel bijzonders: schrijven, en o ja, mijn dode vogel opruimen.”
De dode vogel maakte zijn opwachting op mijn to do-lijstjes en in mijn agenda. Ik spaarde alvast oud papier op dat zou kunnen dienen om de vogel op te pakken. Meermaal daags vroeg ik me af of je een kadaver eigenlijk gemakkelijk kunt opvegen met een stoffer en een blik. Ik bestudeerde mijn keukengerei en probeerde in te schatten of het dode beest tussen de haken van de barbecuetang zou passen.
Maar ja, daarna dan? Mag een dode vogel in de ondergrondse container? Ik zag mezelf al stuntelen met de milieupas in mijn ene hand en De Dood in mijn andere. De vogel zou ongetwijfeld op enig moment uit mijn handen vallen, de buurtkinderen zouden huilen. Misschien toch liever discreet in de groene bak? Een flinke laag vershoudfolie eromheen? Heel veel dingen blijven langer goed in vershoudfolie. Kipfilet, bijvoorbeeld, en dat is eigenlijk ook gewoon een dode vogel.
Ruim drie weken later zit ik aan mijn bureau, vlakbij het raam dat uitkijkt op de achtertuin. Ik tuur naar de klimop, het donkergroene gras en te midden van al dat moois – jawel – mijn onontkoombare dode vogel. Nog altijd op dezelfde plek. Het gaat nu best wel snel, zie ik: het lichaam wordt steeds platter en er lijken eigenlijk alleen nog botjes en veren over te zijn. Onwillekeurig moet ik denken aan de oude begraafplaats net buiten het centrum van de stad. Alle zerken staan er schots en scheef en de aarde rond de graven is onaangenaam zacht. Er zitten daar altijd extreem veel kraaien in de bomen en op het dak van de bijbehorende kapel.
Op die macabere plek heb ik wel eens een tennisbal gegooid en mijn hond erachteraan laten rennen, kriskras tussen de oude graven door. In eerste instantie voelde ik me een zondaar, een soort grafschenner, maar het was een mooie dag en door de ongetemperde blijdschap van mijn hond zag die hele begraafplaats er opeens een stuk gezelliger uit. Kunnen we de doden niet het beste eren door het leven welig te laten tieren, juist op plekken als begraafplaatsen? Waarom wordt het rijk van de doden überhaupt zo krampachtig van het leven gescheiden, terwijl die twee dingen toch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn? Als ik dood was, zou ik best willen dat er mensen op mijn graf kwamen dansen.
Ik sta op en open de achterdeur om mijn dode vogel van dichtbij te bekijken. De vliegen hebben geen interesse meer in het kadaver. Sowieso ziet het beestje er veel minder eng uit dan ik me had voorgesteld. De zon breekt door terwijl de enige logische oplossing zich aandient: ik kan de vogel natuurlijk ook gewoon laten liggen en het zo teruggeven aan de aarde. Dat klinkt hartstikke holistisch en mooi en shit – bovendien hoef ik dan het kadaver helegaar niet aan te raken. Een win-win situatie. Heel lang kan het nu toch niet meer duren. Ashes to ashes, dust to dust, barbecuetang blijft barbecuetang voor barbecue.
Opgelucht plof ik neer op het gras, maar het groen onder mijn billen voelt hard en naar. “Shiiit,” mompel ik. Even vergeten: mijn hele achtertuin ligt vol met kunstgras, een leuk ideetje van een of andere krankzinnige vorige bewoner. Ik kijk nog eens naar mijn vogel. Mijn arme, dode vogel. Hij lijkt al een tijdje tot weinig in staat, laat staan dat het hem gaat lukken om tot stof weder te keren terwijl er een enorme lap synthetisch materiaal tussen hem en Moeder Aarde ligt. Vloekend loop ik naar binnen en open mijn to do-lijst. Operatie Dode Vogel duurt voort, zoveel is duidelijk, en morgen is de dag.
Morgen ruim ik mijn vogel op.


Vrijdag 29 Juli 2016 op 07:56  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Dageraad

Ik ben vroeg wakker op de eerste ochtend in mijn nieuwe huis. Het is een studio, waardoor mijn hond op een kleedje naast mijn bed moet slapen, in plaats van in een aparte ruimte. Tegen zeven uur besluit hij dat mijn mensenmand er veel lekkerder uitziet dan zijn eigen slaapplek. Stiekem komt hij steeds een stukje dichterbij, net zolang totdat zijn snuit mijn neus aanraakt. Ik ruik de tonijn waarop ik hem gisteravond getrakteerd heb; een soort brute tegenhanger van de Philips Wake-Up Light. Mijn hond geeuwt, rekt zich eens flink uit en begint te kwispelen. De dag is begonnen.
“Ha Yuk,” gaap ik. “Goedemorgen.”
Het is idyllisch wakker worden, maar de verhuisdozen die overal in de kamer staan, verraden dat er een veldslag aan de vrede vooraf is gegaan. Het zijn precies de dozen die ik drie jaar geleden inpakte om voor het eerst te gaan samenwonen. Verdomd goede kwaliteit; ik kon ze zo opnieuw gebruiken om weer terug te verhuizen naar een woning voor mij alleen. Tussen de kartonnen chaos scharrel ik een joggingbroek, een vest en een paar gympies op. Er is hier niemand om koffie mee te drinken. Ik denk aan de afgelopen weken, de storm en de stress, en voel me onmiddellijk rusteloos. Het fijne aan een hond is dan dat er altijd een legitieme reden is om naar buiten te gaan en je overvolle kop in de wind te rammen. Vandaag ga ik zo snel mogelijk.
"Kom sukkel," zeg ik terwijl ik me aankleed. "We gaan op avontuur."
Het park nabij mijn nieuwe huis is groter en mooier dan al het groen in mijn oude wijk bij elkaar. Er liggen schepen met daarop seniorenkoppels en puzzelboekjes. Achter de bomen zie ik een waterig zonnetje tevoorschijn komen. Misschien wordt het nog wel wat: deze dag, mijn nieuwe leven, de aftermath van de ravage die ik eigenhandig gecreëerd heb.
"GOEEEEIEMORGEN!" hoor ik ietsje verderop. Daarna: "Jij wandelt ook overal, hè!"
Met grote stappen komt een van de zwervers uit mijn oude buurt me tegemoet lopen. De steen op mijn maag voelt onmiddellijk iets minder zwaar. Ik ben nog steeds in dezelfde stad en er zijn – ondanks alles – nog heel veel dingen onveranderd gebleven. De zon? Hetzelfde. De straten? Hetzelfde. Alle muziek van Kane? Hetzelfde. Ik als persoon? In de kern hetzelfde. De man bukt om mijn hond te aaien. Ik hoor zijn knieën knakken. “Ja-haaa, jij kent mij wel!” zegt hij. “Jij kent mij wel, hè!” Hij krijgt een flinke lebber in zijn gezicht, maar het lijkt hem niets te deren.
"Ik ben verhuisd," mompel ik. "Vandaar."
“Ik heb óók een andere slaapplek,” zegt de man.
Soms vraag ik me af of de zwervers denken dat ik een van hen ben. Misschien moet ik toch eens mijn haar kammen alvorens op pad te gaan. Afwezig staar ik naar mijn hond en naar het water. Dan pas bedenk ik me dat het - hoe het ook zij - wel aardig is om iets terug te zeggen.
"Toevallig, zeg. Bevalt het?"
"Nee, nee. Kan niet slapen, joh. Slaap slecht."
"Altijd wennen. Nieuwe geluiden, nieuwe omgeving. Ik heb daar ook last va-"
"En wij maar denken dat wij de stad goed kennen!" valt de man me in de rede. Hij knikt naar mijn hond, die al minutenlang een heel bijzonder grassprietje besnuffelt. "Maar die honden, hè. Kijk dan! Die kennen elke hoek, elke spriet, elke straattegel. Is zo. IS ZO!"
"Weet ik," zeg ik.
Zonder afscheid te nemen loopt de man weer de andere kant op, terug naar waar hij vandaan kwam. Nog even draait hij zich om. Hij spreidt zijn armen en roept: "Maar ik vind kippen het leukst!" Op de valreep en voor alle duidelijkheid. Daar is iedereen natuurlijk het meeste bij gebaat.
"Helder!" lach ik.
Pas als mijn hoofd leeg is en mijn benen tintelen, keer ik terug naar mijn nieuwe huis. Daar zet ik het Meest Bemoedigende Liedje Ooit op en denk ik terug aan tien jaar eerder. Toen ging ik voor het eerst op mezelf wonen, nog maar net achttien en direct honderd kilometer van huis. Ik weet nog goed hoe ik me voelde nadat ik mijn ouders weg zag rijden: paniekerig, verloren en alleen. Precies tien jaar en vijf verhuizingen later ben ik rustig. Ik weet best dat ik dit kan. Knopen doorhakken, eerst aarzelend, vroeger of later geluk vinden, onbedaarlijk lachen, rust & orde, soms opeens toch struikelen, als versteend blijven liggen, de consequenties, o de consequenties, kwijtraken, opkrabbelen, terugkijken zonder wrok of spijt, wéér vergeten foto's te maken, tevreden zijn met alleen herinneringen, ondanks mijn angstige gestel toch zo nu en dan een sprongetje wagen.
Ik haal diep adem en open de eerste verhuisdoos. Bovenop liggen mijn propellerpet en een fucking uitklapbaar vorkje om mijn eigen rug mee te krabben. Alles komt goed, zoveel is duidelijk. Ondertussen vlijt mijn hond zich uitgeput neer tegen de achterkant van mijn enige stoel. Hij smakt een paar keer en draait zich met een zucht op zijn zij. Helemaal ontspannen en op zijn plek. Nu al.
Zachtjes kriebel ik hem over zijn kop.
"Lekker sliepe. De storm is nu voorbij."


Donderdag 16 Juni 2016 op 17:56  |   Eén reactie  |  
  |    |  

Herfsttij

“Er is een oude meneer die naar je vraagt.” Voorzichtig komt mijn collega het magazijn binnengewandeld. “Tenminste, ik denk dat hij jou bedoelt. Loop je mee?”
Het is de laatste en drukste dag van mijn werkweek en ietwat sikkeneurig heb ik me op de afwas gestort. Even weg van de mensen, lekker bakplaten en borden door de vaatwasser rammen zonder daarbij te glimlachen en de halve wereld een fijn weekend te wensen. Het leven gaat me vandaag uitzonderlijk moeilijk af: er zit een gat in mijn schoen, ik heb wallen ter grootte van de provincie Limburg, broodmessen en baksels vallen spontaan uit mijn handen en overal waar ik ga laat ik een spoor van vernieling en plakken ham achter. Ik ben niet met het verkeerde been uit bed gestapt. Het voelt meer alsof ik geheel zonder benen uit bed ben gedonderd en me alsnog spartelend door deze horrorvrijdag moet zien te hijsen.
“O jee,” zucht ik.
Met knikkende knieën loop ik de winkel in. Meneer heeft vast een klacht, zo'n dag is het gewoon. In godsnaam, heb ik saucijzenbroodjes opgespoten met banketbakkersroom? Fouten gemaakt bij het afrekenen? Recep Erdogan beledigd? INVALIDEN EN KINDEREN AAN HET HUILEN GEMAAKT? Bring it on, oude man! God-o-god-o-god. Was het maar vast weekend.
Maar nee, voor de toonbank wacht mij een vriendelijk gezicht. Welk een verademing! Ik herken de man onmiddellijk. Met enige regelmaat koopt hij een halfje bruin met sesam en tot voor kort droeg hij altijd knalpaarse, vingerloze handschoentjes. Heel hip en badass, zeker op die leeftijd. Het toeval wil dat ik de hele winter met precies dezelfde handschoenen heb rondgelopen. Daarbij zijn de man en ik ook nog eens in dezelfde periode ons handschoeisel kwijtgeraakt. Ik toen ik tijdens een uitlaatronde mijn hond uit een baggersloot moest redden, hij doordat zijn nichtje het hem simpelweg verbood de handschoentjes nog langer te dragen. Ze vond ze te blits, voor zo'n oude man. Dit hele handschoenendebacle heb ik dan weer te horen gekregen tijdens het snijden van een stuk of drie halfjes bruin met sesam, in behapbare hoofdstukken, uitgesmeerd over evenzoveel iets te koude lenteweken. Ik vind dat mooi om te bedenken.
“Ik wil dit aan u geven,” zegt de man.
Met een triomfantelijk gezicht overhandigt hij mij een grote, gele envelop. “Jongedame verkoopster Bakkerij,” staat er in sierlijke letters op de voorkant. Ergens onderin een hoekje: “Ik kan ze niet dragen, dan wordt mijn nichtje kwaad.”
“O, wauw. Zal ik het nu openmaken? Of thuis?”
“Ja, ja! Open maar.”
Ik open de envelop en houd 'm ondersteboven. Op de toonbank liggen twee vingerloze handschoentjes. Zwart met gele streepjes, het etiket zit er nog aan. De paarse exemplaren waren nog best braaf, vergeleken met deze punkhandschoenen. Verbijsterd kijk ik de man aan.
“Huh, maar – zijn die voor mij?”
“Ja, ik mag ze toch niet dragen! Eerst had ik die paarse, die mochten al niet. Toen kocht ik deze, nou, die waren dus ook niet goed. Daarom heb ik nu simpele zwarte.”
Even ben ik sprakeloos. Ik staar naar de envelop en moet moeite doen om niet in snikken uit te barsten, daar achter de toonbank. Het voorval voelt als een hoopgevend madeliefje in eindeloze vierkante meters stront; nog steeds ben ik moe, nog steeds ben ik gestrest, mijn relatie is nog steeds naar de tering en nog steeds moet ik in allerijl op zoek naar woonruimte voor mij alleen. Maar hé, mijn handen worden niet koud! Allemaal dankzij deze vriendelijke man in de herfsttij van zijn leven. It's something.
“Weet u het zeker? Ah, ik vind dit heel leuk. Heel.”
De man grijnst breed en drukt me de hand, warm en bemoedigend, een beetje zoals Zwarte Piet die pepernoten uitdeelt. Het zegt me dat er morgen weer een dag is – en daarna nog een, en nog een, en nog een – en dat er uiteindelijk heus een dag komt waarop de dingen opeens weer goed zijn.
“Bedankt,” zeg ik. “Echt bedankt.”


Zondag 08 Mei 2016 op 15:07  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Madelon

“Potdomme, Madelon – gewoon poepen, nou!”
Het is zeven uur in de ochtend, ik ben nog geen tien minuten wakker en dit zijn de eerste woorden die ik hoor. Ze komen uit de mond van een verkreukte vrouw van middelbare leeftijd. Op de grasstrook nabij mijn huis sjort ze aan een sjekkie en aan twee parmantige hondjes in roze tuigjes. Mijn eigen hond neemt onmiddellijk zijn alfapositie aan: borst vooruit, oren omhoog, verbeten bekje. Een hond met een missie.
Net als Madelon, trouwens.
“Poepen!” herhaalt de vrouw. “Kom op, Maddie.”
“Goedemorgen,” mompel ik.
De vrouw kijkt achterdochtig mijn kant op. Misschien komt dat omdat ik met mijn grote muts en bril toch iets teveel op een zedendelinquent lijk. Een perfecte manier om zedendelinquenten op afstand te houden, daar heb ik goed en lang over nagedacht, maar soms werkt het me ook tegen. Als klap op de vuurpijl besluit mijn hond dat dit het uitgelezen moment is om zich eens flink te gedragen als een creep. Een gluurbuur, een vieze voyeur. Hij drentelt de grasstrook op en staart Madelon intens in de ogen. Verwoed draait ze nog wat rondjes. Ik zie angst op haar platgedrukte snuitje en paniek in haar kraaloogjes terwijl ze perst alsof haar leven ervan afhangt. Tevergeefs. Madame Madelon heeft haar privacy nodig, zoveel is duidelijk.
Zwetend probeer ik mijn hond mee te trekken, maar nee, hij wil liggen. De nachtmerrie van iedere hondenbezitter: het ene moment heb je een hond, het andere moment een blok beton met uitzonderlijke centrifugale krachten aan een touwtje. Nog altijd kijkt mijn viervoeter intens geconcentreerd naar die arme Madelon. Ik zucht. Het is tijd om mijn verlies te nemen.
“Sorry. Hij, eh... Hij wil echt kijken.”
Madelon tuurt vragend naar haar bazin, de rug nog steeds gekromd. De bazin kijkt naar mij. Ik staar naar de lucht en onderdruk de neiging om The Final Countdown te neuriën. Vroeger had ik dit wellicht een ongemakkelijke situatie gevonden, maar inmiddels weet ik dat de hondengemeenschap een soort parallel universum is met volstrekt andere gedragsregels. Hondenbezitters zijn de schaamte vaak lang en breed voorbij. Bohémien, zou ik het bijna willen noemen. Ze hebben geen oordeel over de moddervlekken op je jas, de haren op je joggingbroek, of het feit dat je zonder blikken of blozen een zak stront in een heuptasje opbergt. Ze snappen dat de wereld niet altijd mooi is. Dat de natuur bruut en onverbiddelijk kan zijn.
“TOE DAN!” hoor ik. Daarna: “Goed zo. Hè-hè.”
De vrouw zuigt aan haar sjekkie. Dan kijkt ze me verontschuldigend aan. “Zeg, ik kan dit niet oppakken, hoor. Veel te dun. Dat komt door de stress. Normaal ruim ik het altijd op.”
“Niks gezien,” zeg ik. En dat is dat.
“Nu eerst koffie. Joe.”
“Hoi hè. Smakelijk bakje.”
- - -

Dit stukkie werd gepubliceerd in Asteriks Magazine #15.


Maandag 25 April 2016 op 14:56  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Half om half

Ik wandel mijn straat in en opeens zie ik ze in mijn voortuin staan: drie onbekende mannen met zedige gelaatstrekken. Ze bestuderen het onkruid tussen de tegels, de hondenkwijlvlekken op mijn ramen en de dinosaurus die ik bij wijze van decoratie in de vensterbank van mijn woning heb neergezet. Wat ongemakkelijk sluit ik me bij de groep aan en trek mijn koptelefoon van mijn hoofd.
“Goedemorgen,” zeg ik. “... Welkom.”
Panisch probeer ik het geluid van mijn Ipod zachter te zetten, maar mijn vingers zijn te verkleumd. Uitgerekend nu draai ik de meest agressieve hiphop die ik ken. Hard ook. De raps spuwen uit de speakers, luid en duidelijk hoorbaar voor alle aanwezigen.
“U woont hier?” begint een van de mannen. Zijn glimlach doet pijn aan mijn ogen. “Wat fijn! Mogen we u wat vertellen over onze geloofsgemeenschap?”
I GOT SOME SHIT TO SAY – ” schalt er uit mijn koptelefoon, recht door zijn vraag heen “- JUST FOR THA FUCK OF IT. THEM THANGS, THEM THANGS! DON'T EVEN AAAASK ME. I GOT SOME SHIT SO SAAAAY – ”
Een andere zendeling kijkt naar mijn dinosaurus, en dan weer naar mij, en dan weer naar de dinosaurus. Hier valt veel te redden, hoor ik hem bijna denken.
“Of we geven u deze flyer? Dan kunt u het rustig eens lezen.”
De man duwt het papiertje onder mijn neus.
De Here Jezus in pasteltinten, best wel hip.
“Sorry, maar het is niets voor mij,” stamel ik. "Zonde van de inkt, het papier. Productiekosten! Ik zou ook willen dat het anders was.”
Dat meen ik. Mensen van de kerk zijn vaak heel aardig en ze hadden vroeger in mijn geboortedorp altijd de dikste auto's. Belangrijker: soms lijkt het me zo fijn om ook eens ergens heel erg van overtuigd te zijn. Een vaste basis om naar terug te keren, een allesoverheersend doel in het leven dat volledig in relatie staat tot iets ánders dan jezelf en al je aardse ambities. Ik als heiden moet het leven zelf maar een beetje uitvogelen. Als middelpunt van mijn eigen universum, ook nog. Zonder kaders en regeltjes, in principe zonder taboes en onmogelijkheden, maar ook zonder community om op terug te vallen en volstrekt misleidt door de illusie dat alles in het leven maakbaar en mogelijk is. Dat klinkt luxe, maar gaat in de praktijk dus meestal zo:
Ruim voor de wekker word ik wakker. Ik ben een vrij mens in de bloei van mijn leven en dus heb ik grootse – nee, epische – plannen. Dit is mijn kans, want nu is er tijd en alles is mogelijk. Ik wil schrijven! … Of wil ik liever lezen? Sowieso wil ik koffie. Ja, eerst maar koffie. Wacht, een bericht over een opleiding tot TIG-lasser met baangarantie. Ha-ha, wat als ik dat zou doen? (Nee, echt – wat?) Meer koffie. Focus! Man, ik wil slapen. Mag niet. Ik wil de dag meemaken, tot laat in de avond, maar niet als dat betekent dat ik het ochtendgloren moet missen. Nooit meer slapen? Nooit meer slapen. Is het niet tijd om weer eens te verhuizen naar een andere stad? Overal wonen mensen met levens. Shiiiiit, ik wil reizen. Alleen een beetje jammer dat ik tegelijkertijd het liefst thuis ben. Vanavond patat? Nee, ik wil ook nog naar de supermarkt. Kut, is het echt al 16:00 uur? In godsnaam, waarom is het opeens 16:00 uur?
Ik wil, kortom, vaak zoveel tegelijk dat er van alles precies niets terechtkomt. Zo nu en dan slaat de paniek toe en escaleert de boel volledig uit de pan. Dan denk ik ook nog:
"Ja hallo, ik ben ook maar de dochter van een timmerman en de kleindochter van aan de ene kant een boer en aan de andere kant een bouwvakker. Volstrekt buiten de lijn der verwachtingen vertoefde ik toevallig een paar jaar in een ivoren toren tussen de wetenschappers en de rich kids, om vervolgens met een goudkleurig (#truestory) masterdiploma op zak bij de bakker te gaan werken. Ben ik dan een dubbeltje of een kwartje? Beide? Een doener of een denker? Beide. Een pretbek of een verbeten cynicus? Ja, ik denk beide. Half om half. Als een bak gehakt. Of een centaur." Tegen 23:00 uur ben ik op een slechte dag volledig uitgeput en teleurgesteld; wat bereiken een bak gehakt en een centaur nou helemaal in het leven?
“U kunt het beter aan iemand anders geven,” zeg ik.
“ – 'BOUT TO GET KAMIKAZE, FUCK A NAZI!” schreeuwt de rapper door mijn koptelefoon. Ik vermoed dat het mijn boodschap redelijk wat kracht bijzet; de mannen in mijn voortuin dringen niet langer aan en schuifelen in een keurige rij mijn tuin uit. Nog altijd glimlachen ze vriendelijk. Drie zonnestraaltjes op een koude dag in maart.
“Misschien tot een andere keer,” roept er nog eentje.
“Mogelijk!” antwoord ik.
Een antwoord dat altijd accuraat is, want hé: in een stuurloos leven is tenminste alles mogelijk totdat het onmogelijk blijkt te zijn. Dat is vermoeiend, maar ook hoopgevend. Dat is een vloek, maar ook een zegen. Amen?! Amen.


Donderdag 17 Maart 2016 op 07:29  |   Eén reactie  |  
  |    |  

The Matrix

“Koffie?”
Eigenlijk heb ik het schoteltje al klaarstaan en stroomt het zwarte goud reeds uit het apparaat. De man met het hondje hoort zo'n beetje bij het meubilair van de bakkerij. Iedere middag komt hij langs voor een bakje leut met melk en absurd veel zoetjes. Terwijl ik het drinken serveer, snuffelt zijn hond nieuwsgierig aan mijn schort. Kruimels en banketbakkersroom. Ik aai hem kort over zijn kopje.
“Wilt u er iets lekkers bij? Een krentenbol? Of een tosti?”
Een krentenbol it is.
“Ook een dikke laag boter erop?”
“GEEN BOTER!” schreeuwt de man. Het is zijn lijfspreuk, kort daarop gevolgd door een hartstochtelijk: “Ga ik van kotsen!”
Ik leg de krentenbol op een bordje. Meneer mompelt: “Nou, er is nooit meer wat op tv, hè. Niks aan. Daarom heb ik net maar een dvd gekocht. Die heb ik hier, kijk..”
Grinnikend staat hij op en wijst naar zijn buik. Goed opgeborgen onder zijn trui zie ik de contouren van een dvd-hoes. De hoekjes prikken venijnig door de kermende stof heen.
The Matrix! Die hew ik 'kocht.”
Ik giechel. Het is niet te stoppen.
Een paar dagen later zie ik meneer opnieuw.
“Nou!” roep ik. “Wat vond u van The Matrix?”
“Tja, niet zo realistisch, hè.”
Het koffiezetapparaat knerpt en sputtert.
Ik ben het er ook niet helemaal mee eens, eigenlijk.
“Maar – dat is juist de vraag die de film opwerpt, toch? Is onze realiteit wel de realiteit?”
Terwijl ik de zoveelste kale krentenbol op een bordje leg, moet ik denken aan de grot van Plato, een beroemde allegorie van de Griekse filosoof. In de allegorie zit een groepje mensen vastgeketend in een grote, donkere grot. Ze zitten met hun rug naar de opening, waardoor ze enkel de stenen achterwand kunnen zien. Achter hen brandt een vuur en voltrekt zich het echte leven: vrije mensen wandelen voorbij met allerlei voorwerpen op hun hoofd, zoals houten figuren van mensen en dieren. De gevangenen aanschouwen dit alles via het schaduwspel op de achterwand en via de echo's die door de grot schallen. Dat is hun enige werkelijkheid. Als ze zich zouden omdraaien om het leven rechtstreeks waar te nemen, in plaats van via schaduwen en echo's, dan zouden ze de nieuwe realiteit helemaal niet begrijpen. Het zou alles wat ze wisten ter discussie stellen en de meesten zouden zich snel weer omdraaien. Mensen worden nu eenmaal liever bevestigd in hun bestaande overtuigingen. Daarom zijn rituelen zo geruststellend en is lome voorspelbaarheid zo comfortabel.
“Geen boter!” schalt er door de winkel. “Dan ga ik kotsen!”
“Meent u dat?” grap ik. “En weet u het héél zeker?”

- - -
Dit stukkie werd eerder gepubliceerd in Asteriks Magazine #14.


Woensdag 02 Maart 2016 op 13:01  |   Geen reacties  |  
  |    |