Strike

“We komen voor het kegelen.”
De man achter de bar van het café trekt geamuseerd een wenkbrauw op. Het is zaterdagavond en samen met mijn beste vriendin heb ik het onwaarschijnlijke plan opgevat om naar de open avond van de lokale kegelclub te gaan. Onze vriendschap is in principe gefundeerd op een gedeelde passie voor eten gecombineerd met een intense haat voor sportieve activiteiten, maar dingen omver gooien kunnen we allebei vrij goed en tijdens het kegelen kun je ook een biertje drinken. Als we dan toch iets actiefs gingen doen, dan dit.
“Ja – ehm – we willen graag weten hoe dat gaat,” stamel ik. “Kegelen.”
De barman wenkt naar iemand aan de andere kant van de zaal. Naast ons verschijnt een verbaasde, maar vriendelijke pensionado die kennelijk de nobele taak heeft gekregen de nieuwe kegelaars te begeleiden.
“Deze dames willen kegelen,” herhaalt de barman.
“O,” mompelt de man. “O, nou, kom maar mee, dan.”
In colonne volgen we de grijze man. Het is een prachtig historisch pand dat iedereen eens zou moeten bekijken, maar toch zijn we de enige deelnemers op deze feestelijke open avond. Helemaal achterin het gebouw zit de kegelbaan. Geen poespas, geen sfeerverlichting, doodse stilte. Wel veel hout en weeïg groen. Het bedieningspaneel vol ouderwetse knopjes en hendeltjes licht op en de baan begint te knerpen en te ratelen, een bijzonder bevredigend geluid. Dan valt mijn oog op een soort smoezelige, bruine spons die een prominente plaats inneemt in het geheel. Het ding is doordrenkt met water en – zo gok ik – salmonella.
“Waarvoor is dat?” fluister ik.
“Dit ding?”
Kordaat stopt de man zijn duim in de historische spons en begint eens goed te soppen. “Nou – sop – zodat je vinger – sop – glad is en – sop – je de bal gemakkelijker kunt werpen – sop sop – ”
Na het soppen pakt hij een bal uit het reservaat en positioneert 'm op de baan. De eerste bal belandt in de goot, met de tweede werpt hij een kegel of vier omver. Ondertussen is zijn ademhaling zo pieperig dat ik bang ben dat hij erbij neer zal vallen. Hij mompelt dat hij vandaag al zestig ballen heeft gegooid en zijgt dan neer aan een tafel bij de prijzenkast. De man wil leven, thank God, maar mijn opluchting maakt toch onmiddellijk plaats voor hernieuwde angst. Hoeveel worpen omvat zo'n potje kegelen in godsnaam?!
“Nu jullie. Rechts begint.”
Aarzelend stap ik de baan op en til een willekeurige bal uit het rek.
Helemaal fout, blijkt.
De pensionado veert met hernieuwde kracht op en pakt mijn pols stevig vast. Even ben ik bang dat hij mijn hand in de historische spons zal drukken, maar godzijdank: hij probeert enkel mijn vingers in een zeer onnatuurlijke positie op de kegelbal te positioneren. Dan mag ik gooien. Ik neem een horkerig aanloopje en laat de bal met een doffe klap op de baan vallen.
“Die gaat eraf,” zucht onze begeleider.
In doodse stilte kijken we toe hoe de bal – inderdaad – in de goot belandt. Pas na een paar worpen krijg ik de smaak een beetje te pakken. Mijn vriendin, daarentegen, blijkt een natuurtalent. Binnen de kortste keren gooit ze een strike. En dan nog één. Vreemd genoeg lijkt onze docent wat moeite te hebben met dit plotselinge succes. Vanaf de tafel achterin de zaal voorziet hij onze deathmatch live van commentaar.
“Dit kan helemaal niet. De bal door het midden! En dan toch alle kegels om?! Mijn oren klapperen... On-waar-schijn-lijk! Hier klopt hélemaal niks van!”
“We tarten alle natuurkundige principes!” joel ik.
“Normaal ben ik heel slecht in bowlen!” juicht mijn vriendin.
De baan kermt.
“Kegelen...” kuch ik.
In een kegelzaal die al zo lang meegaat is het vast een doodzonde om kegelen met bowlen te verwarren, zeker na zoveel overmoed en wanstaltige worpen – technisch gezien, dan. Vanaf dat moment gaat het bergafwaarts met onze prestaties. Tot grote opluchting van de pensionado. Om de haverklap horen we hem vanaf zijn tafeltje genoegzaam mompelen: “Die gaat eraf. Kijk, daar gaat 'ie al."
“Vindt u het gezellig?” vraagt mijn vriendin.
“De kegelclub?” De man lacht. “Ach ja – iedereen gaat dood, hè. Allemaal ouwelui.”
Na een worp of dertig houden we het voor gezien. De pensionado bergt de kegelballen op en lijkt opeens best wel in zijn sas. Met een bal door het midden van de baan gooi je géén strike en uiteindelijk gaat iedereen dood. Het moet geruststellend zijn om tenminste die twee dingen in het leven zeker te weten. De baan stopt met ratelen en de lichtjes op het bedieningspaneel doven. Alles is weer gewoon zoals het hoort.


Zaterdag 04 Maart 2017 op 13:24  |  
  |    |  

Geen reacties

(optioneel veld)
(optioneel veld)
Om spam te voorkomen, vragen we je deze simpele vraag te beantwoorden (schrijf het getal voluit):
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.