Herfsttij

“Er is een oude meneer die naar je vraagt.” Voorzichtig komt mijn collega het magazijn binnengewandeld. “Tenminste, ik denk dat hij jou bedoelt. Loop je mee?”
Het is de laatste en drukste dag van mijn werkweek en ietwat sikkeneurig heb ik me op de afwas gestort. Even weg van de mensen, lekker bakplaten en borden door de vaatwasser rammen zonder daarbij te glimlachen en de halve wereld een fijn weekend te wensen. Het leven gaat me vandaag uitzonderlijk moeilijk af: er zit een gat in mijn schoen, ik heb wallen ter grootte van de provincie Limburg, broodmessen en baksels vallen spontaan uit mijn handen en overal waar ik ga laat ik een spoor van vernieling en plakken ham achter. Ik ben niet met het verkeerde been uit bed gestapt. Het voelt meer alsof ik geheel zonder benen uit bed ben gedonderd en me alsnog spartelend door deze horrorvrijdag moet zien te hijsen.
“O jee,” zucht ik.
Met knikkende knieën loop ik de winkel in. Meneer heeft vast een klacht, zo'n dag is het gewoon. In godsnaam, heb ik saucijzenbroodjes opgespoten met banketbakkersroom? Fouten gemaakt bij het afrekenen? Recep Erdogan beledigd? INVALIDEN EN KINDEREN AAN HET HUILEN GEMAAKT? Bring it on, oude man! God-o-god-o-god. Was het maar vast weekend.
Maar nee, voor de toonbank wacht mij een vriendelijk gezicht. Welk een verademing! Ik herken de man onmiddellijk. Met enige regelmaat koopt hij een halfje bruin met sesam en tot voor kort droeg hij altijd knalpaarse, vingerloze handschoentjes. Heel hip en badass, zeker op die leeftijd. Het toeval wil dat ik de hele winter met precies dezelfde handschoenen heb rondgelopen. Daarbij zijn de man en ik ook nog eens in dezelfde periode ons handschoeisel kwijtgeraakt. Ik toen ik tijdens een uitlaatronde mijn hond uit een baggersloot moest redden, hij doordat zijn nichtje het hem simpelweg verbood de handschoentjes nog langer te dragen. Ze vond ze te blits, voor zo'n oude man. Dit hele handschoenendebacle heb ik dan weer te horen gekregen tijdens het snijden van een stuk of drie halfjes bruin met sesam, in behapbare hoofdstukken, uitgesmeerd over evenzoveel iets te koude lenteweken. Ik vind dat mooi om te bedenken.
“Ik wil dit aan u geven,” zegt de man.
Met een triomfantelijk gezicht overhandigt hij mij een grote, gele envelop. “Jongedame verkoopster Bakkerij,” staat er in sierlijke letters op de voorkant. Ergens onderin een hoekje: “Ik kan ze niet dragen, dan wordt mijn nichtje kwaad.”
“O, wauw. Zal ik het nu openmaken? Of thuis?”
“Ja, ja! Open maar.”
Ik open de envelop en houd 'm ondersteboven. Op de toonbank liggen twee vingerloze handschoentjes. Zwart met gele streepjes, het etiket zit er nog aan. De paarse exemplaren waren nog best braaf, vergeleken met deze punkhandschoenen. Verbijsterd kijk ik de man aan.
“Huh, maar – zijn die voor mij?”
“Ja, ik mag ze toch niet dragen! Eerst had ik die paarse, die mochten al niet. Toen kocht ik deze, nou, die waren dus ook niet goed. Daarom heb ik nu simpele zwarte.”
Even ben ik sprakeloos. Ik staar naar de envelop en moet moeite doen om niet in snikken uit te barsten, daar achter de toonbank. Het voorval voelt als een hoopgevend madeliefje in eindeloze vierkante meters stront; nog steeds ben ik moe, nog steeds ben ik gestrest, mijn relatie is nog steeds naar de tering en nog steeds moet ik in allerijl op zoek naar woonruimte voor mij alleen. Maar hé, mijn handen worden niet koud! Allemaal dankzij deze vriendelijke man in de herfsttij van zijn leven. It's something.
“Weet u het zeker? Ah, ik vind dit heel leuk. Heel.”
De man grijnst breed en drukt me de hand, warm en bemoedigend, een beetje zoals Zwarte Piet die pepernoten uitdeelt. Het zegt me dat er morgen weer een dag is – en daarna nog een, en nog een, en nog een – en dat er uiteindelijk heus een dag komt waarop de dingen opeens weer goed zijn.
“Bedankt,” zeg ik. “Echt bedankt.”


Zondag 08 Mei 2016 op 15:07  |   Geen reacties  |  
  |    |