Foetsie

“Dit bin de lekkerst'n.. Deze! Kijk, hier.”
Ik sta bij het fruitschap van de supermarkt wanneer een oudere man naast me plotseling begint te praten. Met grootse gebaren maakt hij duidelijk dat ik een stukje met hem mee moet lopen. Uit zijn jas ontsnapt een geur die het midden houdt tussen zware shag en kinderboerderij. Bij de appels komt hij tot een halt.
“Foetsie!” roept hij.
“O, zijn ze net op? Die zijn vast echt heel lekker, dan.”
“Nee, nee. Zo heten ze: Foetsie.”
Nogmaals tuur ik naar het schap.
Fuji, lees ik op het bordje boven de appels. Opeens valt het kwartje.
“Ah, Fuji! Oké, ik zal ze eens proberen.”
Schaapachtig lach ik naar de appels in de hoop een soepel einde aan het gesprek te breien. Tevergeefs. Het is de grootste en meest hardnekkige discrepantie in mijn leven: ik ben bepaald niet goed in onverwachte gesprekken met vreemden – soms zelfs niet met bekenden, sorry daarvoor – maar toch word ik om de haverklap aangesproken door willekeurige mensen in de publieke ruimte. Eigenlijk is dat mooi. Ik wil graag een persoon zijn met wie mensen gemakkelijk een praatje durven te maken; dat lijkt me een goede eigenschap. Jammer genoeg heb ik er tegelijkertijd een handje van om iedere sociale interactie naderhand eindeloos te herhalen in mijn hoofd. Urenlang kan ik mezelf tergen met alles wat er ongemakkelijk was of anders had gemoeten; alles wat ik niet had moeten zeggen of juist wel. Dat is heel vermoeiend en bovendien volstrekt zinloos.
Dat laatste weet ik omdat er op mijn werk eens een mevrouw achtereenvolgens een roombroodje, een gevulde koek en een merengue kwam halen. De derde keer dat ze bij de kassa verscheen, zei ze: “Ik moet het eigenlijk niet doen, hè – ik ben al veel te dik, haha!”
In een moment van verstandsverbijstering antwoordde ik: “Haha, inderdaad!”
En nu komt het: DIE VROUW HAD NIETS DOOR. We lachten samen lekker door. Zij om haar eigen grapje en ik uit een allesverslindend schuldgevoel, maar mijn verspreking had verder geen enkele consequentie. Het leek wel alsof de opmerking überhaupt niet bij haar aangekomen was. Sindsdien heb ik het vermoeden dat het helemaal niet zoveel uitmaakt wat je zegt, zolang je er maar een heel vriendelijke kop bij trekt. Mensen zijn toch geneigd vooral met zichzelf bezig te zijn. Ze leggen heus niet al jouw woorden op de weegschaal.
Zo ook de appelconnaisseur aan mijn zijde. Die legt alleen appels op de weegschaal, zoveel is inmiddels duidelijk. Mijn ontwijkende antwoorden lijken hem volledig te ontgaan.
“Bij de groenteboer kan je ze ook per stuk kopen!” juicht hij.
“Bedankt voor de tip, maar ik heb nu deze Elstars al afgewogen. Volgende keer – ”
“ – Foetsies zijn echt de beste appels die er zijn. Fris! Sappig!”
De man pakt de zak appels uit het schap en heft ze in de lucht. Het doet me denken aan die scene uit The Lion King waarin Simba gepresenteerd wordt op de rots. Bijna moet ik lachen. Tegelijkertijd ben ik bang dat de man in blinde euforie met de zak zal gaan gooien of erger: de appels met geweld in mijn boodschappenmandje zal proppen. Uit voorzorg doe ik een stapje achteruit.
“Sorry, maar ik ben een beetje eenkennig wat betreft... fruit. Meestal eet ik alleen maar bananen. Het is al bijzonder dat ik deze appels koop – ook al zijn het blijkbaar de verkeerde.”
“Chiquita?” vraagt de man.
Het klinkt als een dreigement.
“Dole..” fluister ik.
De man kijkt alsof de eindtijd nabij is.
Note to self: voortaan bek houden over religie, politiek en fruit in het gezelschap van vreemden.
“Nou ja. De appels van Foetsie zijn toch lekkerder.”
Even overweeg ik op te merken dat de beste man nu toch echt appels met peren aan het vergelijken is, of appels met bananen – om heel precies te zijn – maar kennelijk heeft hij zelf inmiddels ook wel genoeg van onze fruitdiscussie. Zonder gedag te zeggen verdwijnt de man richting de conserven.
Foetsie met z'n foetsies, potverdorie.
Verbijsterd blijf ik achter met drie plotseling controversiële Elstars in mijn mandje. Kort vraag ik me af of de man nu boos is en of dat dan mijn schuld is, maar ik besluit mezelf vandaag eens niet te tergen. Dit soort gesprekken moeten er ook zijn: haperende, tenenkrommende pogingen om elkaar te begrijpen en dat de hele boel dan alsnog volledig uit de bocht vliegt. Het is een troostrijke gedachte dat er van ieder gesprek in elk geval maar eentje is; maar één keer vindt deze interactie plaats – tussen mij en deze willekeurige man – precies op deze plaats en op dit tijdstip. En als het ene gesprek voorbij is, staat het volgende alweer op stapel, blinkend van potentie om een positief verschil te maken. Hoe klein of triviaal ook.
Grinnikend loop ik verder. Op het bankje bij de koffieautomaat zit een zwerver die ik vaak tegenkom als ik de hond uitlaat. Hij warmt zijn handen aan het bekertje. Als je iemand maar vaak genoeg tegen het lijf loopt, wordt het vanzelf onbeleefd om elkaar niet te begroeten. De man kijkt me kort in de ogen en knikt.
“Ha,” zeg ik.
“Waar is je hond dan?!” lacht hij. “Ik zie jou nooit zonder hond..”
“Huisarrest!” roep ik. “Tot ziens, hè.”
Ik gooi een pak melk in mijn mandje en wandel tevreden verder. In woorden zegt ons gesprekje natuurlijk helemaal niets, maar tussen de regels door hoop ik dat de koffie net iets beter smaakt als je het niet altijd alleen en in stilte hoeft op te drinken.


Maandag 01 Februari 2016 op 17:42  |   Geen reacties  |  
  |    |