Poortwachter

Ik heb een achterbuurman die bij mooi weer graag in zijn voortuintje zit. Hij rookt sjekkies en kijkt om zich heen. Soms sleutelt hij aan zijn scooter, soms draait hij dansmuziek. Maar zijn voornaamste bezigheid is toch wel het begroeten van iedereen die de wijk betreedt of verlaat. Een soort poortwachter. Altijd wanneer ik voorbij zijn huis wandel of fiets, roept hij: "Daar is ze weer! Hoi."
Dan steek ik mijn hand op en zeg ik: "Zit 'ie weer! Hoi."
Altijd hetzelfde. Nooit meer, nooit minder.
Tot deze maandag. De middag is nog maar net begonnen en samen met mijn hond wandel ik naar het losloopveld. Ik passeer het voortuintje van de buurman, zoals gebruikelijk. Hij zit op zijn bankje en heeft bezoek van een jongere man. Allebei hebben ze een groot blik supermarktbier in hun handen.
"We drinken bier," zegt de buurman.
Het klinkt bijna provocerend. Als een tienerjongen die stoer wil doen met zijn eerste, illegaal gekochte blikje bier. Maar de buurman is vijftig. Zijn ogen verraden dat hij zich met de opmerking vooral probeert in te dekken. Als hij zelf maar snel genoeg constateert dat hij op - jawel - op maandagmiddag aan het bier zit, kan iemand anders daar tenminste niets meer over zeggen. Niet dat ik er überhaupt een oordeel over heb. Ik kan me best voorstellen dat de dag lang duurt als je steeds maar in je tuintje zit. Dat je dan geen zin hebt om te wachten totdat de vijf in de klok is. Dat er een punt komt waarop het gewoon niet zoveel meer lijkt uit te maken.
"Ik zie het," zeg ik. "Proost, dan maar."
Ik loop door, zoals gewoonlijk. Op het hondenveld zijn twee andere honden met hun eigenaren. Een van de baasjes is een vrouw in een hele lange, rechte jurk. De stof komt tot op de grond. Het heeft wel iets een menselijke boomstronk. Hout couture, eindelijk begrijp ik het. Mijn hond kennelijk ook. Zonder enige twijfel loopt hij richting de andere honden, snuffelt wat, en tilt dan zijn poot op tegen de achterkant van de jurk. De pis glinstert in het zonlicht terwijl het van de zwarte stof naar beneden druppelt en in het gras verdwijnt. Voor iets dat in wezen vrij ranzig is, ziet het er best wel glorieus uit. De vrouw in kwestie heeft niets door, ze kijkt alleen maar vertederd naar de honden. Even weet ik niet wat ik moet doen. Langzaam betrekt het gezicht van de vrouw. Ze voelt nattigheid, letterlijk. Ik moet iets zeggen. En snel ook.
"Ja. Hij heeft tegen uw jurk gepist. Sorry, echt sorry!"
De vrouw begint te lachen. Godzijdank. Tien excuses en één 'dat doet hij normaal nóóit!' later besluit ik dat het tijd is om het veld te verlaten. Dan maar een korte, chagrijnige wandeling. Op de terugweg zie ik dat de buurman en zijn gast nog altijd in de voortuin zitten. Nog steeds of alweer met een blik supermarktbier. Klaar voor de tweede etappe van ons gesprek, dat kon er ook nog wel bij.
"Maar hoe gaat het met jou?" vraagt de buurman.
"Mijn hond heeft net tegen een vrouw in een chique jurk aan staan zeiken. Verder wel goed."
"O ja, nou ja. Hier is alles onder controle. Maak je over mij geen zorgen."
"Oké,” mompel ik. "Best."
De jongere man staat op en zwalkt de straat op. Hij aait mijn hond, de pismachine, en heft daarna een vinger in de lucht. Er gaat een heel belangrijke mededeling komen, zoveel is duidelijk.
“Mag ik jou wat vragen? Ja? Kijk, mijn vader daar..."
De buurman schudt zijn hoofd.
"Man, houd toch eens op met dat gezwets."
"Nee, wacht. Ik wil haar iets vragen. Luister - "
"Daar heeft dat meisje helemaal geen zin in. Is een heel aardig meisje."
De jongen voor mijn neus laat zijn hoofd hangen. Het opgeheven vingertje verandert in een opgestoken hand, de palm zweeft verloren in de lucht. Er zijn weinig dingen treuriger dan een onbeantwoorde high five, vind ik. Daarom sla ik mijn handpalm tegen de zijne.
"High five," zeg ik.
Ik hoop dat hij zich beter voelt.
Mokkend keert de jongen terug naar het bankje. Hij lijkt vooral boos te zijn dat hij zich zijn eigen prangende vraag maar niet kan herinneren. De buurman verzekert me er nogmaals van dat alles onder controle is en dat ik me over hem geen zorgen hoef te maken. Ze drinken van hun bier.
"Ach," besluit de buurman. "Het leven gaat altijd door."
"Zo is het," zeg ik. "Hoi hè."
Ik trek mijn hond mee en wandel verder. Onmiddellijk realiseer ik me dat het helemaal niet waar is. Het leven gaat niet altijd door. Het stopt juist onvermijdelijk, vroeger of later. Dat is verdorie het enige dat zeker is. Verder is er niets onder controle. Je kunt hooguit je best doen en zelfs dan zullen er momenten zijn dat er opeens overal pis zit. Dat de stront in de ventilator terechtkomt. Alles kan altijd alle kanten op. Dat is ook wel een beetje de charme van de hele onderneming. Eenmaal bij mijn voordeur vraag ik me af of de achterbuurman nog wel zijn best doet en wat er precies onder controle is als zogezegd alles onder controle is. 
Zorgen over de poortwachter. Voor het eerst, juist nu.


Maandag 14 September 2015 op 18:19  |   Geen reacties  |  
  |    |