Lol

Het is de tweede tropische dag van het jaar en in plaats van op het strand te liggen met een biertje in de hand, zoals mijn meer fortuinlijke landgenoten, ben ik op mijn werk aan het worstelen met een stel versgebakken crackers. Soms is het leven oneerlijk. De crackers moeten in heel kleine zakjes, stuk voor stuk en het liefst onbeschadigd. Wanneer ik eindelijk een paar zakjes klaar heb en naar de voorkant van de toonbank loop om het schap bij te vullen, komt er een jongen met een stralend witte glimlach naast me staan.
“Mag ik jou wat vragen?”
“Tuurlijk,” zeg ik.
Zodra ik mijn werkkleding aan heb, is 'tuurlijk' mijn middle name.
“Je bent zo'n mooi meisje. Waarom kijk je zo boos? Zonde.”
“Ik kijk niet boos,” zeg ik.
“Oké, niet echt boos. Meer... serieus. Waarom zo serieus?"
Het duurt even voordat ik me realiseer wat voor onwaarschijnlijk scenario zich hier voltrekt. In mijn leven heb ik wel eens te horen gekregen dat ik teveel lach, namelijk zo'n beetje na iedere zin die ik uitkraam. Daardoor zit ik opgescheept met een soort eeuwige trollface en straal ik geen enkel gezag uit. Er zijn momenten geweest waarop ik zo hard moest lachen dat ik in foetushouding op de grond belandde en vreesde dat ik opgenomen zou worden in de Wikipedia-lijst 'Personen die zich doodgelachen hebben'. Nog nooit heeft iemand tegen mij gezegd dat ik boos kijk, laat staan serieus. Nu het moment zich dan eindelijk heeft aangediend, ben ik niet te beroerd een zeer nauwkeurig antwoord te geven.
“O, ik ben crackers aan het inpakken en het lukt niet zo goed. Easy Break, heten ze. Nou, die dingen gaan inderdaad makkelijk kapot. Onmogelijk in een zakje te krijgen.”
Helaas heeft de jongen weinig boodschap aan mijn crackprobleem.
“Je bent veel mooier als je lacht,” dramt hij. “Smile!
Stoïcijns maak ik een rechte rij van de zakjes. Eigenlijk zou ik de jongen erop moeten wijzen dat het tijdperk waarin vrouwen er vooral waren om mooi te zijn en leuk te lachen al best even voorbij is. Helaas voor hem. Maar omdat ik nog veel werk te doen heb, besluit ik het simpel te houden: waarom zou ik in godsnaam lachen naar een bult crackers? Vriendelijk lachen als ik klanten help, oké – maar nu ook al tijdens het inpakken? In hemelsnaam, waar houdt het dan op? Moet ik lachen terwijl ik de poep van mijn hond van de stoep schraap? Gelukzalig grijnzen terwijl ik bananen afweeg in de supermarkt? Ben ik dan mooier? Nee. Lijk ik dan lichtelijk krankzinnig? I guess so.
“Ik ga niet lachen naar een pak crackers. Sorry.”
De woorden zijn mijn mond nog niet uit, of ik voel verdorie een lachkick opkomen. Voor mijn geestesoog verschijnt een van mijn favoriete websites: een verzameling stockfoto's van vrouwen die lachen naar salades. Dat soort domme foto's bestaan er vast ook van vrouwen die lachen naar crackers. Ik heb ze nog niet eens gezien en nu al vind ik ze grappig. Het noodlot dient zich aan.
“He-he-he,” gnuif ik.  
De jongen kijkt tevreden.
“Kijk! Zo, ja! Veel mooier.”
Hoofdschuddend keer ik terug naar mijn werkbank, waar de eerstvolgende cracker die ik in een zakje probeer te stoppen onmiddelijk in twee afzichtelijke stukken breekt. Ik heb gefaald en ik weet het. Wie lacht, is af, in sommige gevallen. Dit is zo'n geval. Ik kan daarvan balen en mezelf voortaan heel erg proberen in te houden, maar ik kan het ook bekijken zoals Woody Allen. Hij zei: "Ik ben dankbaar voor iedere lach - behalve als er melk uit mijn neus komt." Melk is een prima maatstaf, besluit ik. Pragmatisch en haalbaar. Onmiddelijk betrap ik mezelf erop toch nog naar de berg gesneuvelde crackers te grijnzen.
Geeft niks.
Geen melk.


Maandag 15 Juni 2015 op 00:35  |   Geen reacties  |  
  |    |