Potkachel

Buiten is een storm gaande, binnen ronkt de verwarming. Wind en regen overstemmen het gepruttel van mijn koffiezetapparaat. Zo'n ouderwetse, met een filter. Ik pak twee grote mokken en schenk ze zo vol dat de koffie bijna over de randen klotst. Voorzichtig zet ik ze op de salontafel neer. Daar heb ik ook twee chocoladeletters, een banketstaaf en een pak koekjes uitgestald.
“Wat een rijkdom,” zucht ik. “Aw yisss.”
Zoveel keuze voor bij de koffie. Soms moet je daar gewoon even bij stil staan, vind ik. Terwijl ik me volvreet met zoetigheid, dwalen mijn gedachten af naar een grappige brief van de gemeente die eerder dit jaar op mijn deurmat plofte. Daarin werd mij kenbaar gemaakt dat ik arm ben (gefeliciteerd) en daarom aanspraak mag maken op allerlei sympathieke regelingen. Gratis zwemmen, enzo. Het had me verbaasd, want arm heb ik me eigenlijk nooit gevoeld. Integendeel: de laatste jaren zijn de dingen voor mij alleen maar beter geworden.
Waarschijnlijk heeft dat iets te maken met het feit dat ik mijn hele studietijd heb doorgebracht in panden zonder centrale verwarming, fatsoenlijk functionerende douche of luxe apparaten zoals een wasmachine. In mijn laatste studentenkamer – een tochtig paleis in het centrum van Groningen – had ik alleen in mijn woonkamer een gedateerde potkachel. Ieder jaar moest ik het monster weer aan de praat zien te krijgen door: 1. de complete kap eraf te halen 2. het gas voluit open te draaien en 3. een soort open vuur te creëren vlak boven mijn tapijt. Zodra de beschermkap er weer op zat, moest je heel dicht bij de kachel zitten om wat van de warmte te voelen. Toch was het er nog altijd beter vertoeven dan in mijn slaapkamer, die helemaal onverwarmd was – evenals de keuken, de gang en de Spartaanse douche. Koken met een winterjas aan? Check. Bevroren bananen als ontbijt? Nutella zo hard als een baksteen? Been there, done that.
Uitgerekend toen waren de winters koud. Echt koud. Vaak sliep ik met een muts op en drie truien aan en eerlijk, dat ging best aardig. Alleen mijn neus was 's ochtends altijd koud en nat; Martin Gaus zou trots geweest zijn. Zorgwekkender was het feit dat mijn bed twee hoog achter stond (met die verdomde potkachel in de buurt, dus) waardoor mijn vader zich al snel genoodzaakt voelde om een spectaculaire ontsnappingsmethode te verzinnen voor het geval er ooit brand zou uitbreken. De oplossing kwam in de vorm van een plastic ton met daarin een heel dik touw. Aan het uiteinde van het touw zat een haak. Deze kon ik in geval van nood aan mijn kozijn bevestigen, waarna ik de ton naar buiten diende te gooien, het touw helemaal zou uitrollen en ik – hoppa – zo naar beneden kon abseilen. Rapunzel-stylo. De ton heeft jarenlang vlakbij mijn bed gestaan, naast mijn truien en kruiken. Ik zou niet verbaasd geweest zijn als ik 'm daadwerkelijk nodig had gehad.
Het was behelpen.
Het was niet per se comfortabel.
Maar hé: het was wel een dak boven mijn hoofd. Mijn eigen piepende en krakende dak, waar ik zelf de huur voor betaalde van mijn zuurverdiende bakkersmeisjes-centen. Ik zou het zo overnieuw doen. Sterker nog: eigenlijk zou iedereen in zijn leven een dergelijke periode van dragelijke ontbering moeten meemaken. Geen bittere armoede, natuurlijk. Gewoon net genoeg ongemak om de dingen die al snel vanzelfsprekend lijken wat meer op waarde te schatten. Een warm huis, eten op tafel. Dat soort rijkdom.
Niet geld of luxe, maar drie strenge winters naast een potkachel hebben van mij permanent een tevreden mens gemaakt. Ieder jaar als de dagen donkerder worden en de wind buiten in mijn gezicht snijdt, denk ik: 'Fuck yeah, ik heb thuis centrale verwarming, beat that!!!11!!” Dan ben ik intens blij dat ik er warmpjes bij zit, ook al is mijn huis klein. Dat mijn wasmachine mijn sokken wast, ook al neemt het apparaat mijn halve keuken in beslag. Dat de douche altijd warm water geeft, ook al stoot ik mijn kop steeds aan de schuine wanden.
Een beetje ontbering op z'n tijd; ik kan het iedereen aanraden.
De rest van je leven wordt er onmiddellijk een stuk gemakkelijker van.


Maandag 29 December 2014 op 14:03  |   Eén reactie  |  
  |    |  

Kerstgedachte

Mismoedig neus ik tussen de kledingrekken van de plaatselijke C&A. Namens Sinterklaas en de Kerstman ben ik op zoek naar 'gewoon een trui' voor mijn compagnon. Vind nog maar eens zoiets. In deze wereld bestaan er veel teveel truien met fratsen, weet ik inmiddels. Ludieke truien, te hippe truien, halve truien. Of – zoals in deze winkel – truien die uitsluitend bestemd lijken te zijn voor vaders en ooms, met op de borst een vlotte tekst als 'California 1964 Winners' of 'Jersey United' gestikt.
Ik heb geen zin meer. Het is ook nog druk. Net wanneer ik humeurig en onverrichterzake het pand wil verlaten, valt het me op dat er eigenlijk alleen maar vrouwen op deze herenafdeling rondscharrelen. Even verderop zie ik een potige Friese dame en een kleine vrouw met een Indonesisch uiterlijk, ze moeten beide een jaar of vijftig zijn. Al kletsend worstelen ze zich door de hele collectie heen.
“Ik zoek iets nieuws voor mijn zoon – voor de feestdagen,” begint de Indonesische vrouw. “Hij koopt zelf nooit wat. En mijn schoondochter, nou, die neemt haar verantwoordelijkheid ook niet. Dus doe ik het maar weer. Je blijft bezig.”
De potige dame knikt instemmend. “Ja, ja.. Zijn we mooi klaar mee, hè. Mijn man is net zo, hoor. Die loopt ook jarenlang in dezelfde vodjes. Nooit zelf wat gekocht. Eerst deed zijn moeder het en nu ik. Tot zijn onderbroeken aan toe.”
De dames giechelen.
Ik ook een beetje, ondanks mijn slechte bui.
Dat kwam trouwens zo: eerder die dag had ik op het nieuws een item gezien over 'Black Friday', de dag waarop in de Verenigde Staten de koopjesgekte voor de feestdagen losbreekt. Er werden beelden getoond van dikke mensen die andere dikke mensen vertrappelen om als eerste een elektronicazaak binnen te komen. Ik zag volwassen mannen vechten om flatscreens en krijsende vrouwen die op elkaar lagen met een computerspel in hun handen. De reportage had mijn hele ochtend verpest. “Beesten,” had ik naar de televisie gemompeld. “Is dit wat er over is van de kerstgedachte? Naastenliefde en vrede op aarde, me hol!”
Wel vaker heb ik last van plaatsvervangende schaamte en een soort algehele teleurstelling in de mensheid bij het zien van dit soort taferelen. Misschien komt het door vroeger. Mijn hele jeugd heb ik direct naast een Aldi gewoond, midden in de glorieuze bible belt. Dagelijks werden er op de parkeerplaats naast ons huis complete bussen volgeladen met inkopen voor de week. Stouwen maar. Op woensdagen brak de hel pas echt los, want dan gingen de aanbiedingen uit de folder in. Ruim voor openingstijd kon ik vanaf mijn zolderkamer de echte koopjesjagers al zien staan. De karren gereed, ellebogen in de aanslag. Het leek altijd een beetje alsof de Apocalyps nabij was. Alsof we nu toch echt moesten gaan vechten om voedsel, zoals in een oorlogsgebied. Complete onzin, natuurlijk. Mensen zijn gewoon hebberig, zelfs in een gelovig dorp. Toch moest ik op school steeds psalmen zingen en de zeven zondes opdreunen: hebzucht en vraatzucht, onder andere. Ik kon het allemaal maar moeilijk met elkaar rijmen.
“Het blijft lastig – vooral om de goede maat mee te nemen,” zucht de Indonesische mevrouw nu. Dan buigt de forse dame zich naar haar toe en grinnikt: “Niet doorvertellen, maar ik pas het altijd eerst zelf. Gewoon om te kijken hoe het valt.”
Kwebbelend verdwijnen de dames uit het zicht. Ik verlaat de winkel. Nog altijd zonder trui, maar in elk geval met een beter humeur. Ik stel me voor hoe de potige dame in een C&A-pashokje staat, gehuld in een degelijke trui die eigenlijk voor haar man bedoeld is. De mouwen te lang, de tekst 'California 1964' net te strak rond haar boezem. Al die moeite, een heuse queeste... en dat alleen maar om haar echtgenoot voor de feestdagen een goede outfit te kunnen schenken. Hartverwarmend.
Het had verdorie nog wel iets van kerst.
Iets van naastenliefde.


Donderdag 11 December 2014 op 21:07  |   Geen reacties  |  
  |    |