Popcorn

“Dames en heren! Zoals u gemerkt heeft, functioneert deze trein niet naar behoren. Wij vragen om uw geduld terwijl de machinist en ik het materieel inspecteren.”
Het is zaterdagochtend en ik staar uit het raam van een stilstaande trein die mij eigenlijk naar Zwolle zou brengen. De coupé is gevuld met gepensioneerde echtparen en vrouwen van middelbare leeftijd in tweetallen. Ze kakelen nerveus, de Hema-dagkaarten en kadetjes met kaas stevig in de hand geklemd. Enkel het kraken van de intercom legt hen zo nu en dan het zwijgen op.
“Helaas moet ik deze trein kapot verklaren,” klinkt er na lange tijd door het treinstel. “We hebben geen idee wat eraan mankeert, maar we kunnen niet meer voor- of achteruit. Wel hebben we bakken onder het treinstel bevestigd, dus u kunt gerust naar het toilet.”
Mijn telefoon trilt. Je moeder, 1 nieuw bericht: “Weet je al meer?”
“We kunnen naar het toilet! Verder geen idee.”
Net wanneer ik werkelijk begin te vermoeden dat ik de rest van mijn leven in deze kapotte trein zal moeten doorbrengen, verschijnt De Intercom-Stem zowaar in levende lijve in het gangpad. Dapper, vind ik. In tijden van treincrises komt de menselijke aard immers pas echt naar boven en ontstaat er steevast een onhandige tweedeling onder de passagiers: 1. Blije pipo's die op momenten als deze vooral overweldigd worden door saamhorigheidsgevoel en opwinding. Spanning en sensatie, eindelijk! 2. Zuurpruimen die alles verschrikkelijk vinden en dit ongenoegen per se aan iedereen en z'n moeder kenbaar moeten maken. Iemand moet en zal de schuld krijgen! (Ergens in het midden zijn er natuurlijk nog de mensen zoals ik: fatalisten die onmiddellijk hun lot accepteren en genoeg treinreizen hebben meegemaakt om te weten dat ze maar beter direct de popcorn erbij kunnen pakken.)
De conducteur, God zegene hem, stapt de coupé binnen: “Dames en heren, kan ik iets voor jullie betekenen?” Het klinkt zangerig. Ik vermoed dat de beste man stiekem minutenlang in zijn hokje geoefend heeft op de juiste toon: dienstbaar en deskundig, met een vleugje joligheid.
De angst in zijn ogen valt bijna niet op.
“Berenburg!” brult iemand verderop. Daarna nog iets harder, gewoon voor het geval dat: “We willen Berenburg!” De Hema-dagjesmensen gieren het uit. In een razend tempo starten ze met het spuien van een hele reeks relativerende, nietszeggende opmerkingen: “Ik plan niks meer, we zien het wel hoor! We maken er gewoon een feestje van! Zoiets maak je ook niet elke dag mee!”
De passagier direct voor mij, daarentegen, is duidelijk niet van plan mee te doen aan deze optimistische waanzin. Type 2: present. Hij klampt de conducteur aan om eens even luidkeels te vertellen welke belangrijke afspraak hij nu mist, hoe lang hij de vriend in kwestie al niet gezien heeft, hoe duur zijn kaartje was en hoe de NS dit allemaal op denkt te gaan lossen. De conducteur probeert hem naar de klantenservice te verwijzen, maar wordt overstemd door de blije pipo aan de andere kant van de coupé met een veel efficiënter advies: “Berenburg! Berenburg!”
We zijn ook nog steeds in Noorden, natuurlijk.
Het duurt lang voor we opnieuw van de conducteur horen, dit keer als vanouds via de intercom. Een verlossend bericht: “De hulptroepen zijn gearriveerd, dames en heren! We zullen de trein met z'n allen aan de voorzijde verlaten en worden dan opgepikt door bussen.”
Aan de voorkant van de trein blijkt door de 'hulptroepen' (drie vermoeid ogende NS-medewerkers in gele hesjes) een noodtrap te zijn bevestigd. Terwijl ik de trap afdaal, proberen de medewerkers steeds mijn hand vast te pakken; levensgevaarlijk. Daarna zwalken we als een stel ganzen langs het spoor. Het gaat langzaam. Niet in de eerste plaats omdat er op zaterdag zoveel senioren met de trein reizen, maar vooral doordat het fenomeen 'selfie' inmiddels kennelijk ook onder vrouwen van middelbare leeftijd is doorgedrongen. Om de haverklap staat er eentje stil om een #suicidal selfie vlakbij het spoor te maken.
Na aankomst bij de bussen bereikt de tweedeling der mensheid nog eenmaal een prachtig hoogtepunt: “Jullie hoeven niet in te checken,” grapt de conducteur. “We zijn er zo! Nou ja – terug in Leeuwarden, dan...” De dagjesmensen slaan op hun dijen van het lachen, terwijl de zuurpruimen zachtjes dingen mompelen als: “Moest er ook nog eens bijkomen, inchecken.. Geld terug! Gratis koffie!"
Ruim twee uur later ben ik terug op station Leeuwarden, de plek waar ik eerder die ochtend ook de trein instapte. Geen kilometer verder, maar wel een verhaal en wat mensenkennis rijker. De blije pipo in mij fluistert dat dat ook wat waard is, ofzo. Ik zeg mijn afspraken af en stap op de fiets terug naar huis. Mijn telefoon trilt opnieuw. Je moeder, 1 nieuw bericht: “Vanavond echt wel het journaal kijken. Misschien zien we je nog langs het spoor lopen, hahaaa!!”


Woensdag 26 November 2014 op 11:25  |   Drie reacties  |  
  |    |  

Karma

I.
Het is zondagmiddag en ik lig languit op een drukke voorrangsweg, bedolven onder de fiets waar ik even daarvoor nog op zat. Ik had me mijn eerste aanrijding anders voorgesteld. Snel en dramatisch, in plaats van langzaam en sullig. Slechts een benepen 'o jee!' ontsnapte uit mijn mond terwijl ik ter aarde stortte. Weinig elegant en al helemaal niet spectaculair.
Een aardige man komt aangesneld om me overeind te helpen. De verantwoordelijke automobilist – een jonge vrouw, ze moet ongeveer van mijn eigen leeftijd zijn – kijkt schaapachtig toe. Ik begrijp dat wel. Zij zal zich ook vast rot geschrokken zijn. Onmiddellijk slaan ik en mijn empathisch vermogen aan het relativeren.
“Het gaat wel,” stamel ik. Mijn stem klinkt onvast. “Denk ik. Jeetje.”
“Ga eerst maar even rustig zitten,” zegt de man. “Op dat stoeprandje.”
Ik doe wat me opgedragen word. De man inspecteert mijn fiets.
“Die rijdt niet meer,” constateert hij.
“Nou ja, gelukkig was 'ie toch niet echt veel waard en ben ik zelf nog heel,” wuif ik de opmerking weg. Dan bestudeer ik de auto die me zojuist van de zijkant schepte. De voorkant ziet er niet al te best uit: krassen, deuken, lamp kapot.
“Het ziet er dramatisch uit,” zegt de vrouw. “Maar dat was allemaal al zo.”
Een veeg teken, natuurlijk, maar ik ben allang blij dat ik nog leef. Mijn benen en ellebogen doen wel pijn. Ik wil naar huis, zo snel mogelijk. Pas wanneer ik mijn boodschappentas oppak en verstrooid mompelend ("Bedankt allemaal he, fijne zondag nog!") de plek des onheils wil verlaten, bedenk ik me dat het vast verstandig is om de contactgegevens van de vrouw te vragen. Ze schrijft haar naam en mobiele nummer op een kaartje. Ik zeg nogmaals dat het wel gaat terwijl ik eigenlijk wil grienen. Verslagen hobbel ik er vandoor, de fiets knerpend en piepend aan de hand. Naar huis.

II.
“Hallo, ik ben aangereden,” begroet ik mijn compagnon. Mijn onderlip begint te trillen. Net zoals vroeger, wanneer ik op straat gevallen was en pas thuis moest huilen van de schrik. Na een potje janken, het verorberen van een chocoladereep en het uitvoerig bestuderen van mijn schaafwonden, werpen we een blik op de boodschappentas die ik heb meegezeuld. 
“Alles zit onder de appelmoes,” zegt mijn compagnon. “Die pot is kapot.”
Opeens ben ik woest. Dan pas. Rijd me gerust overhoop op een voorrangsweg, maar waag het niet om mijn kookplannen in de war te schoppen. “Godver, en ik wilde vanavond zuurkool maken,” mopper ik. “We kunnen geen zuurkool eten zonder appelmoes. Kan niet. Ik moet terug.”
“Doe niet zo gek,” zegt mijn compagnon.
“Wat een kutdag,” bries ik.
Wankel als een pasgeboren kalf strompel ik opnieuw de deur uit, terug naar het slagveld. Ik voel me een strijder en heb steeds 'I Will Survive' (van Cake, niet het origineel – ik heb mijn zang graag monotoon) in mijn hoofd. Bij terugkomst voelt mijn rechterbeen aan als een maanlandschap, maar ik eet mijn zuurkool als een baas. Toch smaakt het allemaal net wat zuurder dan gewoonlijk.
“Ik moet haar zo maar bellen, hè,” zucht ik. “Ik haat bellen.”
“Het moet,” zegt mijn compagnon.
“Ik weet het. Maar eerst koffie.”
Mijn koffie, heel veel koffie, drink ik zo langzaam mogelijk op. Dan pas voel ik me kalm genoeg om het telefoonnummer van het visitekaartje te draaien. Ik reed immers op een voorrangsweg en nu is mijn fiets kapot. Ik moet orde op zaken stellen, want ik ben een volwassen vrouw. Al een tijdje. Volwassen vrouwen laten het er niet bij zitten. Volgens mijn vader heb ik vijftig euro nodig voor een vergelijkbare tweedehands fiets, minstens. “Plus dertig hele centen," grap ik. “Ik heb ook schade aan mijn pot appelmoes."

III.
“Vanmiddag zei je dat het wel ging,” snauwt de vrouw. Eerder die dag klonk ze aanzienlijk vriendelijker. “En dat die fiets toch al niet goed was.”
“Eh ja – ik was nogal geschrokken. Ik wist even niet wat ik moest doen. Geen idee hoe zo'n aanrijding in zijn werk gaat. Maar nou ja, ik had dus voorrang en nu zit ik met een kapotte fiets. En een pijnlijk been, trouwens. Dus ik dacht... tja, dat is wel een beetje zuur.”
“Nou oké, begrijp ik,” beaamt ze. Direct daarna begint de ellende: “Ik wil ook best een fiets voor je vergoeden, maar dan heb ik wel het recht om te bepalen welke je krijgt. Vijftig euro is echt belachelijk. Voor twintig euro kun je op Marktplaats heus wel een vergelijkbaar fietsje kopen.”
“Ik betwijfel het,” stamel ik. “Voor twintig euro koop je alleen een barrel.”
Vanaf dat moment gaat het met de communicatie bergafwaarts. Omdat we er onderling niet uitkomen, stel ik voor om een fietsenmaker te laten bepalen wat de fiets waard was voor hij in de kreukels werd gereden. Een absurd voorstel, kennelijk. Opeens waait de stront echt in de ventilator.
“Wie zegt dat die fiets van jou niet al kapot was? Kun je niet bewijzen, hè?! Ik reed ook helemaal niet hard, trouwens – je kon toch gewoon lopen, ja? En nu is er opeens van alles aan de hand? Weet je, ik voel me opgelicht. Jij probeert mij gewoon op te lichten.”
Nadat ik nog een keer of vier voor oplichter ben uitgemaakt, besluit ik dat ik liever fietsloos en berooid door het leven ga dan dat ik nog een minuut langer met deze vrouw moet praten. Ik word er zuur van. Onaangenaam zuur, zonder appelmoes om het te compenseren. Schaafwonden genezen, blauwe plekken trekken weg en ik heb een lieve vader die – of ik nou wil of niet – zonder morren voor de tiende keer een oude fiets voor me opknapt. Vertrouwen in de mensheid, daarentegen, is moeilijk te verkrijgen en nog lastiger te repareren. Ik wil er graag nog een klein beetje van overhouden; verdere interactie met dit vrouwmens draagt daar niet aan bij.
"Dan doe je maar aangifte," zegt ze. "Je kunt toch niets bewijzen."
"Prima," antwoord ik.
Ik hang op en neem mijn verlies. Ik ben immers wél een volwassen vrouw, al een tijdje. Volwassen vrouwen weten wanneer het beter is om het er maar bij te laten zitten. Ik doop de gebeurtenis om tot het 'appelmoes-debacle' en om die naam kan ik mooi lachen. Verder niets.
(Maar karma, in godsnaam: ik hoop dat je bestaat.)


Woensdag 12 November 2014 op 11:19  |   Eén reactie  |  
  |    |