Bakkersmeisje, episode VI

We meet again! Na een intermezzo van anderhalf jaar ben ik sinds deze zomer weer twee dagen in de week werkzaam als bakkersmeisje. Hoog tijd dus voor een nieuw avontuur in de 'Bakkersmeisje'-reeks. De oudere verhalen zijn hier, hier, hier, hier en hier te vinden.

- - -

Inmiddels ken ik de routine. Vroeg in de ochtend komen de jonge moeders, ze kopen brood voor de hele week en verantwoorde crackers voor tussendoor. Daarna de grijze meneren: een halfje bruin en tegen het weekend een stukje appeltaart, 'de vrouw moet immers ook wat hebben.' Pas tegen het middaguur verschijnen de studenten, scholieren en soms ook de kantoorklerken in hun nette kleding. Ze rukken op in groepen. Ik hoor hun magen knorren terwijl ze zich en masse voor de vitrine met belegde broodjes verzamelen.
“Wie kan ik helpen?” roep ik lukraak naar het volk.
Een jongen met een Aziatisch uiterlijk – waarschijnlijk een internationale student – doet een stapje naar voren. “I want your anus,” zegt hij. Het klinkt dwingend. Trefzeker.
“Pardon?” stamel ik. “Could you repeat that?
Hoewel ik al enige jaren ervaring heb als bakkersmeisje en reeds de nodige vreemde verzoeken gehoord heb, sta ik van dit bevel toch even te kijken. Het is mijn tweede werkdag in deze zaak. Bakkersmeisje in een nieuwe stad, achter een andere toonbank. Wennen, dus. Ondanks mijn werkervaring voel ik me erg nieuw en klunzig. De klanten kijken meewarig toe hoe ik mijn weg probeer te vinden in de winkel en op de kassa.
Your anus,” herhaalt de jongen. Hij zegt het echt. Daarna: “On a baguette.”
Geïrriteerd pakt hij de menukaart erbij en wijst erop. Ik tuur naar de eindeloze belegjes die ik mijn klanten mag aanbieden. Dan pas valt het kwartje: helemaal onderaan de kaart staat een rits exotische broodjes met de namen van planeten. Broodje Mars, Jupiter, Neptunus... En Uranus.
Uit pure ongemakkelijkheid begin ik schaapachtig te lachen.
Yeah.. I get it now,” haper ik. “I thought, well, you know – ”
De jongen schudt zijn hoofd, waarschijnlijk om mij in vredesnaam het zwijgen op te leggen. Hij loopt zelfs lichtelijk rood aan. Misschien is dit ook niet het moment en de plek om mijn initiële verwarring tot in detail toe te lichten. Zwijgend beleg ik een halve baguette met oude kaas, sla, mosterd en pittenmix. Een combinatie die me waarschijnlijk de rest van mijn leven zal terugvoeren naar dit glorieuze moment.
Inmiddels ben ik drie maanden en ontelbare blunders verder, maar toch voelt de winkel al bijna als thuis. Ik ken de producten, de gezichten en langzaam maar zeker ook de namen. Vaste gasten wagen het erop me te begroeten met een 'heeeuh!' in plaats van een 'goedendag'. De grapjes maken hun opwachting en de formaliteiten bladderen af, stukje bij beetje.
Zo zie ik het graag.
Aan het einde van iedere werkdag maakt de zoete geur van gevulde koeken plaats voor het aroma van vers zweet en oud broodkruim. Het blijft hard werken, maar dat geeft niet. De praatjes zijn gemaakt en de halve stad heb ik hoogstpersoonlijk een fijne dag toegewenst. Op weg naar huis word ik steeds vaker begroet door mensen die me niet direct kunnen plaatsen, maar wel het gevoel hebben dat ze me ergens van kennen. Net als in mijn oude woonplaats. Steeds wanneer ik thuiskom en mijn benen ongegeneerd op de salontafel laat rusten, likt mijn hond het broodkruim onder mijn schoenzolen vandaan. Dan besef ik me: ik ben thuis in deze stad. Eindelijk.


Donderdag 16 Oktober 2014 op 10:50  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Eiland

Na een lange strandwandeling plof ik samen met mijn compagnon neer op het eerste terras dat we tegenkomen. Het blijkt een hippe tent, zo eentje met strakke loungebanken en eeuwigdurende clubmuziek. We schrapen onze laatste contanten bij elkaar en bestellen warme chocolademelk met slagroom. Alléén warme chocolademelk met slagroom; het terras hoort bij een decadent appartementencomplex direct aan het strand van Schiermonnikoog en de prijzen op de menukaart zijn niet voor de poes.
Naast ons zit een ouder echtpaar, de man draagt een kek rond brilletje en de vrouw heeft roodgeverfde haren. Ze praat aan een stuk door, voornamelijk over kunst en theater. Met een zuinig mondje tuurt ze naar het wolkenpak boven onze hoofden.
“We moeten zo maar gaan, heurrr. Ik bedoel, als het zo gaat regenen moet ik al mijn kleding straks nog te drogen hangen. Dat duurt te lang en ik heb ook niet genoeg vervangende outfits mee,” kakelt ze. “Nee, nee – het kan absoluut niet gaan regenen. Ik kan het me op dit moment simpelweg niet permitteren om nat te worden.”
Ik sip van mijn chocomelk, mijn hond kwijlt schooierig op mijn toch al smoezelige broek. Het geneuzel van de vrouw zet me aan het denken. Zelf heb ik ook best wel wat dingen die ik me niet kan permitteren. Een complete lunch op dit terras, bijvoorbeeld, of een dure vakantie in het hoogseizoen. Een platte televisie of meubels die bij elkaar passen, ook niet echt. Regen en andere natuurverschijnselen, daarentegen, horen wat mij betreft dan weer niet in het rijtje thuis. Neerslag kost niets en heeft bovendien überhaupt geen boodschap aan onze prioriteiten. Je schaft een bui niet aan en je slaat 'm ook niet af. Was het maar zo'n feest.
De lucht betrekt, het echtpaar wordt nu echt nerveus. Gehaast staat het tweetal op en schuifelt ervandoor, arm in arm. Plotseling vraag ik me af hoe moeilijk het leven wel niet moet zijn voor mensen die zich onvermijdelijke natuurverschijnselen als 'regen' simpelweg niet kunnen permitteren. Is dit wat er gebeurt wanneer je je verder alles kunt veroorloven? Zoek je dan grenzen en onmogelijkheden in de abstracte dingen des levens - zoals het weer? In het grijze en onvoorspelbare Nederland, ook nog! Het lijkt me zeer stressvol om je bepaalde weertypes niet te kunnen permitteren. Dan kun je je toch maar beter druk maken over die lekker controleerbare contanten in je broekzak, me dunkt.
Aan het einde van onze chocolademelk en aan het begin van wat toch echt een droge nazomeravond lijkt te worden, keren ook wij terug naar onze verblijfplaats: een appartement aan de achterzijde van een woonhuis in het dorp Schiermonnikoog. Op de vloer ligt dubieuze vloerbedekking en het interieur lijkt rechtstreeks uit de etalage van een kringloopwinkel te zijn opgekocht. Als klap op de vuurpijl mogen we gebruikmaken van een tuin inclusief partytent, alwaar de eigenaar van het huis zelf de hele dag rondscharrelt. Het betreft een oude man met een hond en een sober leven.
“Ik ga iedere dag naar het strand, van vijf tot zeven,” had hij ons bij de ontvangst trots verteld. “En het is geen enkele keer hetzelfde, maar dat zien jullie natuurlijk niet. Voor jullie is het gewoon zee, strand, duinen. Maar ik zie iedere verandering. Iedere zandkorrel die verschoven is. Het is altijd weer een verrassing.”
Die avond keer ik nog een keertje terug naar het strand, ook al is het al bijna donker en gaat het misschien alsnog regenen. Ik denk aan het echtpaar – aan hun tragische stress om niks – en besluit dat het op dit eiland helemaal niet uitmaakt wat je je wel of niet kunt veroorloven. Of je mogelijkheden nu eindeloos zijn, of juist begrensd als het eiland zelf; de uitkomst van een verblijf aan zee is voor iedereen onvoorspelbaar. Het kan regenen, het kan stormen, de zon kan schijnen. Het enige dat we ons echt niet kunnen permitteren, is geloven dat we er altijd zelf iets over te zeggen hebben.


Donderdag 09 Oktober 2014 op 15:04  |   Eén reactie  |  
  |    |