Doei vrouw

De jongen komt vanaf de andere kant van de drukke weg aangelopen, in zijn ogen een glazige, ietwat obsessieve blik. Zonder te kijken of er verkeer aankomt steekt hij over, recht op zijn doel af: mijn hond. Eenmaal veilig op de stoep - godzijdank - zijgt hij bevallig naast het beestje neer.
“Oooo, wat ben je mooi,” zucht hij. Zijn stem klinkt hoog en koddig, zoals geboren moeders vaak tegen baby's praten. “Zo mooi... geef me eens een kusje!”
“Hallo,” zeg ik.
Ik krijg geen groetjes terug. In plaats daarvan tuit de jongen daadwerkelijk zijn lippen. Ik zie hoe de tong van mijn hond gretig zijn mond binnendringt. Bijna even gepassioneerd als kort daarvoor, toen het beest nog geobsedeerd aan een kattendrol aan het likken was. Persoonlijk zie ik daarin voldoende reden om niet met mijn huisdier te zoenen, maar afijn, ieder zijn meug.
“Jij bent nog een jonkie hè,” kirt de jongen. “Hoe oud ben jij?”
Van enthousiasme weet mijn hond niet waar hij het zoeken moet. Hij kwispelt en lebbert, springt druk op en neer. Logisch, ook: het schijnt zo te zijn dat honden alerter en beter reageren op hoge, opgewonden tonen. Net als mensenbaby's, trouwens. Niet dat ik dat zelf ooit ervaren heb, want ik ben dus ontzettend slecht in kirrend communiceren met wezens die duidelijk toch niets begrijpen van wat je zegt. Ik vind ze heus leuk, honden en baby's en kittens, maar het lukt me simpelweg niet om zo'n leuk blij stemmetje op te zetten. Tegen mijn hond praat ik dan ook eerder alsof hij dertig is en op een barkruk in de kroeg zit. Als 'ie vervelend is: “Serieus gast, even normaal doen.” Als ik in een fatalistische bui ben: “De hel, dat zijn de anderen, hondenzoon.”
Ik heb, kortom, mijn infantiele stem nog niet helemaal gevonden.
“Hoe oud ben jij, schatje?” kirt de jongen opnieuw. “Hou oud ben jij?”
“Bijna een halfjaar,” kuch ik. Want hé, honden kunnen nu eenmaal niet praten.
“Ooo, een halfjaar!” Het klinkt euforisch, alsof het dier hoogstpersoonlijk zijn vraag beantwoord heeft. “Ben jij al een halfjaar?! Grote jongen, geef me nog eens een kusje.”
Stoïcijns gaat de jongen verder met het tongen van mijn hond.
“Je houdt wel van honden, of niet?” hoor ik mezelf beduusd vragen.
Stating the obvious, altijd handig wanneer woorden eigenlijk tekort schieten.
“Zo lief!” piept de jongen.
Ik besluit op te geven en zwijgend te wachten totdat het tafereel voorbij is. Hopen dat het ophoudt, vanzelf. Na wat een eeuw lijkt te duren, klopt de jongen wat modder van zijn kleding en geeft mijn hond nog een laatste vertederde aai over de bol. Net wanneer ik denk dat ik als baasje echt volledig genegeerd ga worden, richt de hondenfluisteraar zich op de valreep toch nog tot mij, het vrouwmens aan de andere kant van de riem.
“Doei vrouw,” bromt hij.
Niets meer, niets minder. Zijn stem klinkt nu ook compleet anders. Laag en intimiderend, als een soldaat die acte de présence geeft. Het voelt een beetje alsof ik hem iets misdaan heb. Opeens vraag ik me af: is dit hoe ik zelf klink tegen baby's en honden? God nee! De jongen draait zich om en steekt onmiddellijk de weg over. Opnieuw zonder te kijken, terug naar de overkant. Mijn hond staart me aan met zijn gebruikelijke domme grijns. Hij ziet er gelukkig uit.
“Vond je dat leuk?” vraag ik, plotseling onzeker.
Geen reactie.
We wandelen een stukje verder. Ik kijk om me heen of er niemand in de buurt is en schraap mijn keel.
Vond je dat leu-heuk?” herhaal ik. Hoog en kirrend, zo goed als ik kan. Mijn hond kijkt me geshockeerd aan, hij houdt zijn kop scheef en zijn oren wiebelen. Alsof hij iets heel naars hoort, een mondharmonica of zo.
"Ja ja," grinnik ik. "Ik houd al op. Voel me ook hartstikke debiel zo, dude.”
Zijn blik ontspant. Hij ziet een mooi takje en neemt het in zijn bek. Honds.
“Kom,” mompel ik. “We gaan naar huis.”


Zondag 14 September 2014 op 21:49  |   Geen reacties  |  
  |    |