Naar het park

Slechts tien minuten nadat mijn wekker is afgegaan, sta ik al in de buitenlucht. Het parkje om de hoek. Mijn haren ongekamd, de slaap nog in de ogen. Het is er stil en het gras is vochtig van de nacht. De Friese stabij aan mijn zijde snuffelt wat rond en kijkt naar de vogels. Soms bewegen zijn oren naar achteren – in opperste concentratie – en heft hij zijn voorpootje lichtjes in de lucht. Op jacht.
Sinds ik een baasje ben, weet ik dat de wereld er 's ochtends vroeg heel anders uitziet. Kleinschaliger, onschuldiger. De eenzame wandelaars die al op straat te vinden zijn, begroeten elkaar fluisterend en samenzweerderig. Het is beter wakker worden dan met koffie.
Dan wijst de snuit van mijn hond naar de overkant van de vijver. Ik volg zijn blik en zie dat we helemaal niet alleen zijn, zoals ik dacht. Op een bankje ontwaakt een man die kennelijk de nacht in de buitenlucht heeft doorgebracht. Hij is bijzonder mager, maar ziet er verder rustig en helder uit. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en probeer te bepalen of ik misschien beter langs de andere kant van de vijver kan lopen. Voor de zekerheid. Niet uit minachting of afschuw, maar domweg omdat ik een lafaard ben. In het donker zou ik dubieuze mannen op bankjes in het park zeker ontwijken.
De hond aan mijn zijde heeft bepaald geen boodschap aan mijn twijfels. Nog voor ik een beslissing kan nemen, rent hij druk zwiepend met zijn puppykontje naar de andere kant van de vijver. Zo'n beestje ziet geen verschil tussen de magere man op het bankje of de heer in de roze polo die even verderop net in zijn dikke auto stapt. Klein, groot, dik, dun, arm, rijk, mooi, lelijk: iedereen wil hij begroeten, zonder vooroordelen of scrupules. Ik loop er gehaast achteraan. Gereserveerd en horkerig, zoals het een mens betaamt. Eenmaal aan de overkant kijkt de man naar de grond en naar het hondje. Niet naar mij.
“Goedemorgen,” mompel ik.
Hij kijkt op en lijkt verbaasd dat ik hem begroet. Verbaasd dat ik hem kan zien, überhaupt. Alsof hij in zijn leven al te lang genegeerd is, zittend op bankjes in het park. Mijn hond vlijt zich tegen zijn benen. Op het gezicht van de man verschijnt een voorzichtige glimlach, maar zijn ogen kijken alsnog verdrietig en schichtig. In gebrekkig Nederlands begint hij te praten.
“Hoe oud is hij?”
“Iets ouder dan drie maanden,” zeg ik. “En nogal enthousiast, zoals u ziet.”
Voorzichtig aait de man mijn hond. De manier waarop hij het doet, verraadt dat hij weinig ervaring heeft met dieren. Onhandig, twijfelachtig. Zich te bewust van het gras en de haren die aan zijn broek blijven hangen. Toch vraagt hij verder. Misschien niet eens uit bijzondere interesse voor honden, maar gewoon om wat aanspraak te hebben. De keel te smeren, eventjes bij een andere wereld te horen dan die van hemzelf.
“Zo eentje zou ik ook wel willen hebben,” zegt hij.
“Het is ook leuk,” knik ik.
“Maar ja. Ik heb niet echt.. een goed huis.”
Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen. Bij gebrek aan beter staren we zwijgend naar wat het beestje aan onze voeten allemaal uitspookt. De pup snuffelt en kwispelt, de man aait. Laatstgenoemde doorbreekt de stilte door te vragen of mijn hond van zwemmen houdt en of hij wel eens vis eet.
Er is hier niets om bang voor te zijn, besef ik me. Ik zat ernaast. Van dichtbij blijkt de dubieuze schim op het bankje een mens als alle anderen; maar dan eentje die domweg minder geluk of heel veel meer pech heeft gehad dan de rest. Dat wist mijn hond natuurlijk allang. Door zijn ogen ziet de wereld er heel anders uit. Kleinschaliger, onschuldiger. Prima tegemoet te treden zonder scrupules en zonder vooroordelen. Sinds ik een baasje ben, hoop ik de dingen wat vaker met de blik van mijn viervoeter te bezien.


Maandag 14 Juli 2014 op 22:53  |   Geen reacties  |  
  |    |