Oude mensen (3)

Met drie zware etensborden in mijn handen baan ik me een weg langs rondslingerende rollators, opzij geschoven stoelen en – niet onbelangrijk – fragiele ouderen. “Drie keer spaghetti voor de dames!” zeg ik opgewekt. Opluchting, iedere keer wanneer ik de borden ongeschonden op tafel weet te krijgen. Mijn gasten glimlachen vriendelijk. Pas wanneer ik me omdraai, hoor ik: “Maar zuster, wat ís spaghetti?”
De essentie van spaghetti: het is slechts een van de vele existentiële vraagstukken die ik heb overgehouden aan een paar maanden werken in een bijzonder restaurant. Eentje waar alle gasten op leeftijd zijn en ik stelselmatig als 'zuster' aangesproken word: de eetzaal van een woonzorgcentrum.
In eerste instantie was ik ervan overtuigd dat de praktische kant van dit werk voor mij het meest uitdagend zou zijn. Serveren is een kunst, zeker voor iemand die in het dagelijks leven dingen doet als: een glas wijn op een bankstel parkeren en er even later zelf op gaan zitten (true story). Vreemd genoeg blijkt het lopen met drie borden helemaal niet het moeilijkste aspect van het vak. Nee, het zijn de mensen en de verhalen. Die hakken erin. Soms op een leuke, ontroerende manier. En soms zo dat het pijn doet in je hart.
Zo leerde ik een man van 101 kennen die mij mededeelde dat hij 'altijd overal aan meedoet.' Iedere dag komt hij wel tien kopjes koffie drinken en geen enkele activiteit laat hij aan zich voorbijgaan: van de bingo tot de royalty-quiz en van het dagje uit tot het potje sjoelen. Een chique dame op leeftijd – eveneens een vaste gast in het restaurant – vatte die instelling eens prachtig poëtisch samen door grijnzend in het oor van mijn collega te fluisteren: “Zuster, de grammofoonplaat is nog niet uitgespeeld, hoor!”
Dat zijn leuke dingen. Maar toch. Alle activiteiten en afleiding ten spijt, bespeur ik bij sommige bewoners wel degelijk verborgen eenzaamheid, of zelfs wanhoop. “De kinderen hebben ook hun eigen huishoudens, hè,” hoor ik vele dames verzuchten. “Dan ga ik niet steeds zelf lopen bellen..” Of de klassieker: “Alleen is ook maar alleen, dus tja, daarom zit ik hier.” Juist met deze mensen probeer ik wat vaker een praatje te maken. Helaas is de tijd altijd schaars, de werkdruk hoog en de realiteit hard. Het blijft een bejaardentehuis; de vriendschappen die je er sluit zijn per definitie geen lang leven beschoren.
Dat is een gek idee. Ik kan er niet zo goed tegen.
Het was een rustige zaterdagmiddag toen ik me dit realiseerde. Ik had drie dames op de koffie. Terwijl ik hen een tweede bakje leut inschonk, kwam er een ambulance voorgereden. Geen zwaailichten. Iemand werd op een brancard naar buiten gedragen. De dames nipten en zwegen, weinig onder de indruk van het schouwspel. Misschien is het op die leeftijd gewoon niet meer zo shockerend: de ziekenwagen die zomaar even aanschuift bij de koffie. Kort nadat de wagen vertrok, schuifelden ook mijn gasten terug naar hun kamers. Ik vroeg me af waar zij die avond aan zouden denken, alleen op hun kamers vol popjes en al even bejaarde planten. Hoe het eigenlijk moest voelen; wachten op het onvermijdelijke, nippend van een eindeloze stroom gratis filterkoffie in een restaurant vol lotgenoten.
Over twee weken ga ik weg. Weer aan de slag als bakkersmeisje, in plaats van als verkapte zuster. Sommige oudjes ga ik missen, maar ik ben blij dat mijn vaarwel dan in potentie nog altijd een 'tot ziens' kan zijn. Niets definitiefs. Noem me een lafaard, maar ik vind dat een opluchting. Ik ga weg voordat de grammofoonplaat is uitgespeeld.


Maandag 16 Juni 2014 op 15:08  |   Eén reactie  |  
  |    |