Voorstelrondje

Sociaal ongemak komt in vele soorten en maten. Ik heb er lang over nagedacht en ben vandaag tot een werkbare tweedeling gekomen, namelijk: 'toevallig sociaal ongemak' en 'moedwillige sociale zelfkastijding.' Een klassiek voorbeeld van het eerste soort: je komt in de supermarkt een bekende tegen, maakt een praatje, wenst elkaar een fijne dag.. en daarna kom je elkaar nog veertien keer schaapachtig lachend tegen op andere plekken in dezelfde winkel. Dit is toevallig sociaal ongemak. Het is vrij onschuldig en soms zelfs vermakelijk.
Sociaal ongemak van het tweede soort, 'moedwillige sociale zelfkastijding', is andere koek. We moeten het er nodig over hebben. Dit zijn namelijk situaties die we met z'n allen best zouden kunnen voorkomen, maar waaraan we onszelf om mysterieuze redenen toch steeds blootstellen. Met stip op 1 in deze categorie: het voorstelrondje. Beetje onhandig in een kring zitten met een stel vreemden en dan allemaal om de beurt iets over jezelf vertellen – voor de sociaal uitgedaagden onder ons zijn er weinig gelegenheden denkbaar die de oksels heviger doen klotsen. Het is oncomfortabel, gekunsteld, kent een aantal fundamentele problemen en bovenal: het werkt niet. Ik zal uitleggen waarom.
1. Voorstelrondjes vinden meestal groepsgewijs plaats en dat levert onmiddellijk een heel reëel probleem op: tot wie richt je je? Wie kijk je aan terwijl je hakkelend probeert jezelf met enige swag te introduceren? Als een soort oververhitte, draaiende ventilator steeds de hele kring rondkijken komt manisch over. Ik persoonlijk introduceer mezelf meestal stamelend aan mijn koffiekopje en mijn schoenen. Het is naar.
2. Dan een meer inherent probleem. Het voorstelrondje heeft in de kern als doel: ervoor zorgen dat een groep mensen elkaar in korte tijd leert kennen. Dat veronderstelt dat de groepsleden iets leren over elkaars persoonlijkheid. In de praktijk komt hier niets van terecht. Het is namelijk helemaal niet de bedoeling dat je daadwerkelijk laat zien wie je bent. Hell no. Je moet alleen maar vertellen wat je doet. Concreet. Wat voor werk, in het bijzonder. Dit is problematisch. Heel veel mensen oefenen een beroep uit dat helemaal niets zegt over hun persoonlijkheid. Heel veel mensen weten het grootste deel van de tijd überhaupt niet wat ze in godsnaam aan het doen zijn in het leven en waarom. Zij lopen het risico na ieder voorstelrondje in een regelrechte identiteitscrisis te belanden. Ik noem geen namen. Maar ik weet hoe het voelt.
3. Er bestaan ook mensen die het bovenstaande probleem oplossen door zichzelf dan maar volledig te definiëren in relatie tot anderen. Eveneens een verontrustend verschijnsel. Ze vertellen bijvoorbeeld dat ze moeder zijn van een prachtige dochter, of partner van een vrachtwagenchauffeur. Ook dit moet stoppen. Een kind baren is geen karaktereigenschap.
4. Niet dat het echt iets uitmaakt wat je zegt, trouwens. Het laatste en grootste probleem met voorstelrondjes is namelijk: NIEMAND LUISTERT. Terwijl jij al hakkelend afstevent op een hevige existentiële crisis (“In godsnaam, wie ben ik? Wat is leven? Waarom gezelligheid? Wat is spontaan? Moet ik me laten omscholen tot lasser?”), zitten je kringgenoten waarschijnlijk met suizende oren te bedenken wat ze in hemelsnaam moeten zeggen wanneer ze straks zelf aan de beurt zijn. Ze horen niet wat je vertelt. Het is zinloos lijden voor alle deelnemende partijen.
Cursusleiders en docenten, ik smeek jullie: stop voorstelrondjes nu. Er moet toch een betere manier zijn om het ijs te breken. Gewoon niet, bijvoorbeeld. Je kunt ijs ook langzaam laten smelten, zonder te porren. Pijnloos. Laat de mensen elkaar de hand schudden en wat keuvelen over het weer, dan volgen de persoonlijke details vanzelf. Laat de zwijgers nog even zwijgen als dat nu eenmaal hun ding is. Het kost wat meer tijd, maar neemt altijd zijn beloop.


Dinsdag 22 April 2014 op 14:49  |   Eén reactie  |  
  |    |  

Engelse les

Mijn moeder is een held. Al een paar jaar is ze de populairste thuisjuf van het dorp. Ze komt langs bij gezinnen en geeft peuters spelenderwijs een voorbereiding op de basisschool. Dat gaat hartstikke goed. Bij iedere gelegenheid wordt ze overladen met chocolade en douchegels. Pasgeboren lammeren op boerderijen in heel de regio worden naar haar vernoemd. Zo populair is ze.
Ze heeft alleen nog geen diploma.
Een tijdje geleden kreeg ze een nieuwe werkgever die vond dat ze dat papiertje toch echt moest hebben. Zo kon het gebeuren dat mijn moeder op haar achtenvijftigste nog even aan een complete vervolgopleiding is begonnen. Laatst liet ze me trots een stapel huiswerk en een reusachtige tas zien.
“Kijk, ik heb een nieuwe rugtas gekocht.”
Het was een Eastpak. Legergroen. Ze keek er stoer bij. Ondertussen maakte haar blitse paarse smartphone allerlei geluiden. “Dat zijn mijn klasgenoten op de app,” verklaarde ze. Alsof het niets was. “Sommigen lopen achter met het huiswerk. Maar ik wil het bijhouden.”
Haar gedrevenheid verbaasde me. Vroeger was mijn moeder op school een bengel. Als tiener ging ze liever patat eten op het hoekje, in plaats van naar de les. Althans: er zijn veel foto's van haar met patat op het hoekje, maar haar rapporten heeft ze zorgvuldig verstopt. Die dwarsigheid hield lang aan. Ik heb er zelf als puber nog van meegeprofiteerd. Ik hoefde 's ochtends maar te mompelen dat ik geen zin had in school en mijn moeder had de telefoon al in haar hand.
“Zal ik je ziek melden?” zei ze dan. “Doe ik zo, hoor.”
Soms nam ik het aanbod aan. Dan kroop ik nog even naast haar in het grote bed en keken we samen het journaal. Uiteindelijk speelde haar geweten meestal toch op en verzekerde ze me: “Het is dat je zulke goede cijfers haalt. Anders zou ik het nooit doen.”
Met dat alles in het achterhoofd heb ik er des te meer respect voor dat diezelfde vrouw op dit moment bloedserieus haar opleiding tot pedagogisch medewerkster aan het afronden is. Versneld, zelfs. De dag dat ik op bezoek was, stond haar huiswerk voor Engels op de planning. Ondertussen vertelde ze over de lessen.
“Weet je wat ik laatst zei?”
“Nou!” zei ik. “Vertel.”
I can speak English very well...” begon ze. Daarna, bulderend op z'n plat Overijssels: “...but not so snel! MAAR DAT KUM'P NOG WEL!”
Ik begon te lachen. Het soort lachen waarbij je je best moet doen om niet op je bovenbenen te slaan of spartelend en naar lucht happend op de grond te eindigen.
“Die lerares kwam ook al niet meer bij,” zei mijn moeder. Droogjes.
Mijn vader at een koek en grinnikte zonder geluid te maken, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij trots was. Net als ik. In de trein terug naar huis spookte het zinnetje nog steeds door mijn hoofd. Toen pas bedacht ik me dat het niet alleen mijn moeders gedrevenheid was waar ik bewondering voor had. Het was vooral haar onbevangenheid. Hoe ze zich zonder reserves in het avontuur stort, bereid om op haar bek te gaan en dan lachend weer op te staan. Daar kan ik nog wat van leren.
Het gaat alleen not so snel.
Maar dat kum'p nog wel.


Woensdag 09 April 2014 op 15:09  |   Twee reacties  |  
  |    |