Heel veel scheten

In rijen van winkels doe ik meestal een van de volgende dingen: 1. gluren naar de producten die andere mensen op de band leggen (“Makreel en slagroom, o rly? / Wacht.. een enkele banaan? In godsnaam, waarom een enkele banaan, ontheemd en eenzaam?! / Blikken hondenvoer en plastic vorkjes? Echt? Etc.”) 2. peinzen over het hoe en waarom van crocs met hoge hakken (ze bestaan echt) 3. zoveel mogelijk gesprekken afluisteren.
In het kader van punt 3 ving ik afgelopen week het volgende gesprek op:
“Papa,” zei een kinderstem. “Pa-pa! Ik heb scheten gelaten.”
In de stem klonk een zekere trots door.
“Ssst, dat moet je niet hardop zeggen,” siste een man. Vast de vader.
Het kind praatte verder, nu op onheilspellende toon. Fluisterend.
“Heel.. veel... scheten...”
Ik draaide me om en grinnikte samenzweerderig. Het kind bleek een jongetje van een jaar of vijf. Hij grinnikte samenzweerderig terug. Pas daarna bedacht ik me dat ik eigenlijk helemaal niet per se publiekelijk de indruk wilde wekken deel uit te maken van een samenzwering als deze: een schetensamenzwering. Ik had zelf geen scheten gelaten en was het ook niet echt van plan. Gepijnigd staarde ik maar weer naar mijn eigen producten op de band. De vader hield ondertussen paniekerig zijn vinger voor zijn mond.
“Ssst, nu even stil hoor. Bah, zeg.”
Terwijl het kind vakkundig de mond gesnoerd werd en mijn gène langzaam afzakte, dwaalden mijn gedachten af naar Norbert Elias, een Duitse socioloog die tijdens mijn studie zo nu en dan de kop op stak. In zijn bekendste werk, Het Civilisatieproces, legt hij uit hoe we onszelf in de loop van de tijd een steeds grotere mate van zelfcontrole hebben opgelegd. Tot ver na de Middeleeuwen vond niemand het gek wanneer er publiekelijk gespuugd, gesnotterd of gescheten werd. Zonnekoning Lodewijk XIV, bijvoorbeeld, zette gewoon zijn gesprekken met anderen voort terwijl hij zijn ding deed op de kakstoel. Geen probleem, bro. Pas later verdwenen deze aangelegenheden achter de schermen en werd beheersing van de natuurlijke impulsen de norm. Niet zo boeren, niet zo scheten. Niet je neus snuiten in je hand. Maar ook: niet zomaar publiekelijk in woede of verdriet uitbarsten. Best prettig allemaal, maar met de toenemende voorschriften kwam ook de schaamte. Niemand wil iets doen wat door de groep als onbehoorlijk wordt gezien.
Helaas gaat er soms nu eenmaal wel eens iets mis.
Dat voelt dan dus naar. Heel naar.
De laatste keer dat ik me werkelijk diep schaamde, staat me nog goed bij. Te goed. In een overvolle letterenbibliotheek zat ik te studeren. Het was doodstil. Ik voelde dat ik bijna moest niezen en probeerde het heel erg in te houden. Waarom weet ik eigenlijk niet, want niezen is (in tegenstelling tot boeren, scheten, snotteren, kreunen, spugen en ga zo maar door) een van de weinige lichaamsfuncties die nog wel publiekelijk tentoongespreid mag worden. Afijn, het bleek de grootste fout uit mijn complete studieloopbaan. De nies kwam alsnog, maar klonk door mijn tegenstribbelingen meer als, nou ja, een best wel luide pornokreun. Ik kan het niet anders omschrijven. Het viel in elk geval 100% zeker in de categorie ongepast; iets wat ik met de nodige zelfdwang onder controle had moeten houden. Een half uur lang heb ik met een rood hoofd naar mijn boek gestaard. Toen pas durfde ik op te staan voor een
tot nog toe ongeëvenaarde walk of shame.
Als ik aan het voorval terugdenk, verschijnt op mijn gezicht nog steeds een grimas. Ook al ben ik alleen en is de gebeurtenis nu niets meer dan een gênante herinnering. Kennelijk hebben we schaamte zo geïnternaliseerd dat de afkeurende blik van een ander niet eens meer nodig is om die nare gevoelens op te roepen – alleen de herinnering aan een schaamtevolle episode is al voldoende om ons ineen te laten krimpen. Dat is best maf, voor iets wat aangeleerd is en heel erg cultureel bepaald. Ik zou wel durven stellen dat schaamte, of de angst daarvoor, onze samenleving sterker reguleert dan wetten of politiemannen.
Toen ik aan de beurt was om af te rekenen, babbelde het jongetje van vijf alweer vrolijk door. Laat hem toch nog even lekker scheten, dacht ik toen. Schaamte komt er nog genoeg. Misschien verzandt hij ooit nog eens in een minutenlange facepalm wanneer hij terugdenkt aan deze glorieuze dag. De dag van Heel.. Veel.. Publiekelijke.. Scheten. Misschien ook niet. Misschien vergeet hij het hele voorval – net zoals hij op den duur, geleidelijk en ongemerkt, zal vergeten hoe het is om zonder schaamte te zijn.


Zaterdag 29 Maart 2014 op 15:49  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Anatomische snuifdoos

Een tijdje geleden stonden de nieuwssites er vol mee: “Zitten is schadelijk voor de gezondheid.” Ik nam de berichten niet erg serieus. Wat was nou het ergste wat er kon gebeuren? Tot vorige week. Vorige week vergat ik heel even hoe zitten ook alweer precies in zijn werk gaat. Beginnen met zitten, in het bijzonder: ik kreeg het voor elkaar om mijn hand te blesseren terwijl ik enkel op de bank wilde plaatsnemen.
Dat klinkt overdreven en welhaast onmogelijk, maar ruim een week na het zitdebacle loop ik – na een kortstondige en misleidende periode van herstel – nog steeds rond als bambi met een gebroken pootje. Zielig, mekkerend, met betraande ogen in de koplampen. Gistermiddag bereikte mijn klaagzang een dieptepunt.
God strafte meteen.
“Ik kan niet eens elastiekje in mijn haar doen,” verklaarde ik. “Teveel pijn.”
Mijn compagnon zweeg. Moe van het gezeur, waarschijnlijk.
“Kan jij er niet even een staart in doen?”
Zuchtend kwam mijn compagnon van de bank af. Zonder blessures, hij heeft het zitten kennelijk goed onder de knie. Ik gaf hem het elastiekje. Met twee extreem slappe handjes begon hij in mijn haar te frunniken, ergens helemaal onderin mijn nek. Daarna trok hij de staart een paar keer aan. Ik voelde hoe het haar bovenop mijn hoofd bol ging staan. Het elastiekje, daarentegen, bungelde onderaan en bleef alsnog nauwelijks zitten.
“Zo,” verklaarde hij.
Ik voelde met mijn goede hand op mijn hoofd en trok een vies gezicht. Mijn haar was ongekamd en ongewassen. Vooruit: daar had ik zelf natuurlijk ook een aandeel in. Maar dit gore, laffe staartje in mijn nek maakte het geheel toch echt nog tien keer erger.
“Jezus. Ik lijk nu net Steven Seagal, of niet? Met zo'n vies, slap staartje achterin mijn nek. Bedankt man. Ik bén gewoon Steven Seagal, nu.”
Mijn compagnon begon te lachen als Ron Brandsteder, dat kon er ook nog wel bij. Ik probeerde ondertussen het elastiekje uit mijn haar te trekken, onderwijl voortdurend mompelend: “Steven Seagal! Godsamme, Steven Seagal met een geblesseerde poot!”
Het vieze staartje was de druppel: ik maakte onmiddellijk een afspraak bij de huisarts. Dit kon zo niet langer. Vanochtend zat ik in de spreekkamer en verklaarde: “Ik vrees dat ik mijn hand geblesseerd heb door te gaan zitten op de bank.”
De dokter pakte mijn hand vast en begon eraan te duwen en trekken, heel vervelend.
“Het gewrichtje bij je duim is gekneusd. Kijk, daar bij dat kuiltje tussen je wijsvinger en je duim. Dat noemen ze trouwens ook wel de anatomische snuifdoos. Uit dat kuiltje snoven de mannen vroeger tabak.”
Hij legde zijn hand onder zijn neus en gooide zijn hoofd achterover. Snuivend.
“Goh, wist ik niet. Maar goed: ik heb het niet gedaan tijdens het snuiven van tabak. Ik heb het gedaan door te gaan zitten op de bank. Best wel knap, eigenlijk.”
“Dat is wel uitzonderlijk, ja.”
Dat wilde ik even horen. De komende week moet ik rust houden.
De komende week ben ik.. Steven Seagal.


Dinsdag 11 Maart 2014 op 09:15  |   Geen reacties  |  
  |    |