Eerstvolgende in de rij

Mensen, ik wil ze graag leuk vinden. Juist daarom neem ik in mijn leven een aantal broodnodige maatregelen: ik verdiep me niet langer in de reacties op NuJij.nl en ga alleen nog naar de supermarkt op heel rustige momenten. Vroeg in de ochtend of laat in de avond. Boodschappen doen op drukke momenten haalt het slechtste in de mens naar boven, daar wil ik zelf niet aan ten prooi vallen. Ellebogenwerk, graaien, voordringen. Rollende ogen en opzichtig gezucht als het allemaal weer niet snel genoeg gaat. Ga zo maar door.
Ik kan daar slecht tegen. Ik neem het de mensheid kwalijk. Als geheel.
Jammer genoeg lukt het niet altijd om de situaties die van mij een verbitterd mens maken volledig te vermijden. Zo stond ik laatst op een zaterdagmiddag in de rij bij de Action, alweer ik me voornamelijk afvroeg wat ik in hemelsnaam op een zaterdagmiddag in de rij bij de Action deed. Ik werd opgeschrikt uit mijn overpeinzingen door een opgewekte caissière.
“De eerstvolgende in de rij mag bij mij komen,” riep ze.
Gevleugelde woorden die garant staan voor ruzie, dat weet iedereen. 'Eerstvolgende in de rij' is een vloeibaar begrip waarover nog altijd bar weinig consensus bestaat. Sommigen gaat het de pet volledig te boven. Toch heb ik wel een donkerbruin vermoeden wat het zinnetje betekent: de eerstvolgende in de rij is de eerste persoon in de rij die zijn spullen nog niet heeft uitgestald op de lopende band. Diegene kan gemakkelijk en rustig – geciviliseerd, zeg maar – overstappen op een nieuwe kassa. Daarna volgen de mensen die achter de uitverkorene stonden te wachten. Op volgorde.
Die bewuste dag in de Action was ik de eerstvolgende. Volgens deze definitie, dan. Helaas was de caissière nog niet uitgesproken, of er kwam vanuit het niets een vrouw met een helmkapsel en een bontjas naar voren gesprint. De eerstvolgende in de rij betekende in haar wereld kennelijk: degene die het hardst komt aangerend vanaf de andere kant van de winkel. Pontificaal pleurde ze haar mandje op de lopende band, waarna er onmiddellijk een hele rits andere klanten (uit allerlei hoeken en gaten) aansloot.
Verbeten gezichten, karren vol met troep.
Perplex bleef ik in de oude rij staan. Als het echt zo moest.. dan maar niet. Niets zo beschamend als rennende en duwende consumenten in een land waarin bijna niemand écht iets tekort komt. Gelukkig leek de vrouw achter mij er hetzelfde over te denken. En zij had een troef in handen: haar zoontje.
“Nou, volgens mij was die mevrouw niet bepaald de eerstvolgende in de rij, of wel?!” tetterde ze.
Ze keek naar haar kind, de perfecte dekmantel. Over zijn rug zou ze de wereld wel even duidelijk maken hoe ze erover dacht.
“Maar zo doen wij dat niet, hè. Wij wachten netjes op onze beurt.”
“Jaaa!” lispelde het zoontje, de ogen groot.
Een knap staaltje passief-agressieve vernedering. De vrouw met het helmkapsel en de bontjas trok een zuinig mondje. Ze liep rood aan, maar zei niets terug. Ondertussen luisterde de hele winkel mee. De jonge moeder begon nog iets harder te praten.
“Ja, en kijk die kakmadam nu eens bescheten kijken. Dat krijg je ervan.”
Kijk die kakmadam bescheten kijken. Je reinste poëzie! Haha, dacht ik. Hahaha.
Met een besmuikte grijns op mijn gezicht legde ik mijn afwasborstel, het enige item waarvoor ik in deze idioterie verzeild was geraakt, dan eindelijk op de lopende band. Vertrouwen in de mensheid: een beetje hersteld. En dat in de spits.


Maandag 27 Januari 2014 op 16:37  |   Eén reactie  |  
  |    |  

Winnaar

Als er iets is wat ik het afgelopen jaar geleerd heb, dan is het wel dat ik toch niet liever sterf dan dat ik moet spreken voor een groep mensen. Lange tijd was dat andersom. Tijdens studiepresentaties vond ik mijn stem te monotoon, kreeg ik altijd een ontiegelijk droge bek van de zenuwen en hoorde je soms opeens best goed dat ik van origine een Overijsselse deerne ben. Ik nam me voor om nooit meer aan die onzin te beginnen. Na mijn laatste verplichte presentatie vierde ik dat met pizza's en moderne danspassen, onderwijl mompelend: 'nooit meer!' – haha – 'nooit meer!' Tot ik de Lowlands Schrijfwedstrijd won en er toch weer aan moest geloven. Ik werd gevraagd om mijn winnende verhaal voor te lezen. Voor mensen.
De eerste keer voorlezen was in Rotterdam. Dagenlang had ik geen zin in eten, zelfs niet in kaas. Dan weet je dat er echt stront aan de knikker is. Daarna kwam de ontkenningsfase. Een halfuur voordat ik de trein moest halen, ging ik de badkamer schoonmaken. Dat leek toen belangrijk. Uiteindelijk moest ik keihard fietsen om nog op tijd op het station te komen en had ik niet eens meer de kans mijn verhaal uit te printen op een proper blaadje. Ik was aangewezen op de prints die ik voor Lowlands had gemaakt. Dat wil zeggen: de versie van mijn verhaal waar een peptalkpuppy boven stond en waar destijds al drie liter koffie overheen was gevallen. De versie die het hele festival bij me in de tent had gelegen. Verkreukeld tussen afval, vieze sokken en lege bierblikjes.


                                                                                  Deze versie.

Ondanks dat ik mijn verhaal had voorgelezen vanaf een stuk vuilnis, werd ik de week na mijn eerste voordracht gebeld met de vraag of ik nogmaals hetzelfde trucje wilde uithalen, dit keer in Utrecht. Voorafgaand aan het optreden ging ik op bezoek bij een vriendin die daar woont. Ik had nieuwe prints gemaakt. Ik ging ruim op tijd op reis. Dit keer zou alles soepel en ontspannen verlopen. Dit keer was ik voorbereid.
“Weet jij eigenlijk waar we moeten zijn, straks?” vroeg ik nog.
Dat wist de vriendin wel. Ze was er al eens geweest, zelfs.
We konden nog rustig patat eten.
Rustig een kopje koffie, rustig een glas wijn.
Tot we er vlak voor vertrek achterkwamen dat de locatie die zij in gedachten had, helemaal niet de locatie was waar het evenement plaatsvond. In paniek raadpleegden we Google Maps, maar een plattegrond rijmen met de werkelijkheid bleek voor ons allebei te hoog gegrepen. Daar kwam nog bij dat we welgeteld één fiets tot onze beschikking hadden. Een fiets die, zo bleek al snel, vastzat in de zwaarste versnelling. Standje Hometrainer Voor Gevorderden – het leek wel alsof de remblokken permanent op de banden stonden. Driekwartier lang ploeterden we op de hometrainer door de krochten van de stad. Het regende heel hard. Ik had steeds de intro van Peppi en Kokki in mijn hoofd en wist niet of ik moest lachen of huilen. Slechts vijf minuten voordat mijn optreden zou beginnen, stormden we het pand binnen.
De crew was blij en opgelucht om me te zien. Hoe later je aan komt kakken, hoe enthousiaster het onthaal van de organisatie, heb ik gemerkt. In het toilet probeerde ik met meters wc-papier mijn haar en gezicht af te drogen, maar mijn kleding zag er nog steeds uit alsof ik eerder die avond een bierfestijn in een blubberige manage had bijgewoond. Toen ik eruit kwam zei een stagemanager: “Je ziet er fantastisch uit.”
Dat vond ik dapper.
Het vreemde was dat het me allemaal eigenlijk niet eens zoveel meer kon schelen. Alles wat mis kon gaan, was al misgegaan. Ik schuifelde richting het podium en zei: “Hoi, nou, ik heb dus een verhaal geschreven waarin ik 14x het woord frikandel heb verwerkt en toch heb ik de Lowlands Schrijfwedstrijd gewonnen, ben ik best wel trots op.”
Ik las voor.
Misschien kon je horen dat ik opgegroeid ben in het oosten van het land, misschien was het merkbaar dat zo'n podium niet echt mijn natuurlijke habitat is. Maar ik stond er, in volle doorweekte glorie, en ik ademde nog steeds. Pas toen – drie maanden na mijn prijs – voelde ik me voor het eerst in mijn leven.. een winnaar.


Donderdag 16 Januari 2014 op 12:24  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Drugsbaron

Met een verlepte plastic tas in mijn handen sta ik wat te dralen voor de McDonalds, op een stoepje dat bezaaid is met sigaretten en verpakkingsmaterialen vol vetvlekken. Schichtig kijk ik om me heen of ik mijn koper al ergens zie. Opeens komt er een medewerker naar buiten met een bezem. Ik voel me betrapt en ik sta in de weg. “Zal ik mijn fiets even aan de kant zetten?” vraag ik. Even laten zien dat ik een fatsoenlijke jonge vrouw ben.
“Neuh.” De jongen schudt zijn hoofd terwijl hij begint met vegen. Lafjes. Onder zijn McDonalds-zonneklep komt een gelkuifje vandaan. “Hoef ik dat stuk tenminste niet te doen.” Hij slaat driekwart van het stoepje over en vlucht weer naar binnen. Het is ook fris.
Bibberend vraag ik me af hoe het zover heeft kunnen komen met mij. Ik wilde gewoon wat schoenen verkopen via Marktplaats. Een beetje opruimen in huis. En nu sta ik hier met een dubieuze plastic tas voor de McDonalds om mijn zaakjes af te handelen. Als een soort drugsdealer.
Gezien de grote hoeveelheid emoticons en uitroeptekens in het mailcontact, vermoed ik dat mijn koper een meisje van een jaar of veertien is. In eerste instantie zou ze de schoenen bij mij thuis ophalen, zoals het hoort, maar er kwam steeds iets tussen. Bijvoorbeeld regen. Na een aantal mislukte afspraken had ik er genoeg van en gaf ik haar de kans om zelf een nieuw voorstel te doen.
Dat voorstel luidde: 12:00 uur bij de McDonalds. Nou ja, prima.
Ik leun tegen de muur en voel me een gangster. Misschien koop ik straks wel een hamburger, of een gouden bontkraag, of beide. Nog voor ik de knoop doorgehakt heb, word ik aangesproken door een vrouw van een jaar of dertig. Achterdochtig staar ik naar haar voeten. Klein. Klein genoeg voor de handelswaar in mijn plastic tas.
“Kom je voor de schoenen?” vraag ik. Het klinkt als codetaal, in deze context. Alsof ik er ook nog achteraan ga zeggen dat de geit gemolken is. Of dat de ene hand de andere wast.
Ze knikt en kijkt ongemakkelijk om zich heen. “Toch een beetje een gekke plek, hè. Om af te spreken.”
“Ja,” bevestig ik. “Ik voel me eigenlijk wel een soort drugsbaron, op dit moment.”
Om het ongemak weg te nemen, vis ik de schoenen waar het allemaal om te doen is uit de plastic tas. De vrouw gaat nog even door met zichzelf verontschuldigen.
“Let niet op hoe ik eruit zie, hoor,” mompelt ze. “Dit zijn mijn hondenkleren.”
Onmiddellijk verschijnen er beelden van honden in truitjes op mijn netvlies. En hondenfurries, en mijn lievelingstrui van toen ik in groep zeven zat: blauw met twee labradors erop. Ik kijk naar de vrouw. Ze draagt een doodnormale zwarte jas en een zwarte broek, maar er zit wel wat blubber op. Het kwartje valt.
“Ooo, kleding voor tijdens het uitlaten van de hond. O ja.”
Midden in de sigarettendrek trekt ze haar rechterschoen uit om het door mij aangeboden schoeisel te passen. Een voorbijganger kijkt fronsend toe hoe haar sokken de vieze stoep bijna raken. Ik besluit dat het tijd is om over te gaan tot de transactie, en snel. We hebben al teveel aandacht getrokken.
“Nou ja, als je ze wilt hebben.. ik had dus drie euro vijftig in gedachten.”
“Ik geef je er vijf voor.”
Twee keer sla ik het aanbod af, dat schijnt de etiquette te zijn, maar na enig aandringen besluit ik de knaken toch maar aan te pakken. Een drugsbaron zou ook geen nee zeggen tegen een bonus. Ik geef de vrouw een hand om de deal te bezegelen en stap op mijn vouwfiets, klaar om van het verdiende geld wat shit te gaan scoren bij mijn eigen dealer. De supermarkt. Een netje mandarijnen en een brood, denk ik.
I didn't choose the thug life. The thug life chose me.


Maandag 06 Januari 2014 op 19:51  |   Eén reactie  |  
  |    |