Vrijdagmiddagspits

Utrecht Centraal, vrijdagmiddagspits. Ik zit doelloos op een bankje in de stationshal en denk aan meneer Z., een oude en vrij onsympathieke Groninger die altijd vlak voor sluitingstijd een halfje bruin kwam ophalen in de bakkerij. Aan het einde van de dag waren er niet zoveel andere klanten en kon hij zijn ei eventjes kwijt. Meneer Z. was zijn baan kwijtgeraakt. Hij was eenzaam. Op een middag schreeuwde hij boven het lawaai van de snijmachine uit dat het voor hem zo eigenlijk niet meer hoefde. Vervolgens kwam hij nooit meer opdagen in de winkel en maakte ik me zorgen. Zijn halfje bruin werd niet meer apart gelegd.
Pas maanden later kwam ik hem weer eens tegen. Bij het station, zittend op een stoeprand, starend naar de reizigers. Het was duidelijk dat hij zelf nergens naartoe ging. In het voorbijgaan stak ik mijn hand op en riep zijn naam, maar hij reageerde niet. Dat vond ik destijds maar onaardig. Precies zoals ik van hem gewend was.
Nu ik zelf zomaar wat op een bankje zit, midden in de drukte, realiseer ik me pas dat het station eigenlijk een heel gekke plek is om te zijn wanneer je zelf even nergens naartoe gaat. Opeens merk je dat er in de stationshal twee volstrekt verschillende werelden door elkaar lopen. Eerst die van de doelgerichte mensen, kordaat op weg naar hun volgende trein of naar de uitgang. Hun levens lijken op fast-forward te worden afgespeeld. Daartussenin – in dezelfde ruimte maar op een ander, trager spoor van de videoband – bevinden zich de wachtenden, de zwervers, hier en daar een schoonmaker. En ik, in dit geval.
Normaal gesproken ben ik ook zo iemand die direct naar de fietsenstalling of een volgende bus of trein drentelt, maar vandaag ben ik ruim een uur te vroeg voor een afspraak in de stationshal zelf. Om de tijd te doden besluit ik een kaart te kopen voor mijn oma. Geruime tijd staar ik naar een exemplaar met een ijsvogeltje in een kerstsetting. Mijn oma houdt van vogels. Iets minder van kerst, geloof ik. Nu ik toch nergens heen hoef, is dit een heus dilemma. Ik schuifel met de kaart naar de kassa, maar eenmaal daar beukt een meisje me aan de kant. Ze dringt voor en bestelt een pakje sigaretten. Het lijkt wel alsof ze me überhaupt niet gezien heeft.
“Postzegel erbij?” vraagt de caissière. Ze praat snel.
“Alsjeblieft,” antwoord ik.
Ze pakt een papieren zakje achter de toonbank vandaan.
“Er hoeft niets omheen, hoor. Ik ga 'm meteen schrijven en versturen.”
Het meisje kijkt een beetje moeilijk – ze vraagt zich vast af waarom ik specifiek hier een kerstkaart met een ijsvogel kom kopen terwijl ik kennelijk geen trein hoef te halen – maar geeft me daarna toch een pen. Ze wijst naar een stukje van de toonbank waar ik niet zo in de weg sta. Daar schrijf ik een kerstgroet op de kaart terwijl de drukte om me heen voortraast. Ik hoor hijgende mensen die een pakje sigaretten bestellen zonder te groeten, klikkende hakken op de stationsvloer, rinkelende telefoons, denderende treinen. Alles op fast-forward, behalve in mijn hoekje, waar de tijd juist langzamer voorbij lijkt te gaan dan normaal. Wanneer ik de pen teruggeef, heeft het winkelmeisje alweer tientallen andere klanten geholpen.
Ik gooi de kaart in de brievenbus en breng het resterende halfuur door op dat verrekte bankje in het midden van de hal, starend naar de oneindige stroom mensen zonder echt iemand te zien. Wanneer alles om je heen in beweging is, constant voortdendert, voelt je eigen stilstand bijna psychedelisch. Alsof je niet meer helemaal bij de werkelijkheid hoort. Onzichtbaar bent.
Misschien was dit wel precies hoe meneer Z. zich voelde, die dag dat hij niet terugzwaaide. Misschien beperkte dit gevoel zich bij hem niet tot een verloren uurtje op het station, maar kenmerkte het zijn hele leven, dat maar geen vaart meer wilde krijgen. Anderhalf jaar na dato maakt mijn verontwaardiging plaats voor mededogen. Mocht ik meneer Z. ooit nog tegenkomen, dan groet ik hem niet meer in het voorbijgaan, maar ga ik zelf ook even zitten.


Zondag 29 December 2013 op 13:05  |   Twee reacties  |  
  |    |  

Optuigen/aftuigen

Er zijn momenten in een mensenleven, bepaalde ijkpunten, die je voor altijd bijblijven. Momenten waarop je het gevoel krijgt echt te zijn gegroeid als mens. Ik beleefde zo'n moment toen ik in mijn derde studiejaar ontdekte dat je je dekbedovertrek binnenstebuiten moet keren en aan de punten moest vastpakken om hem fatsoenlijk om je deken heen te krijgen. Een tweede karaktervormende episode vond plaats toen ik vorig jaar mijn eerste eigen kerstboom kocht. Het verzorgen van de kerstdecoratie is een precaire aangelegenheid. Dat besef je pas ten volste wanneer je zelf een keer die zware last hebt gedragen. Het vereist incasseringsvermogen en je moet woede en verdriet perfect kunnen kanaliseren. Mijn eerste kerstboom heeft me geleerd dat er soms maar een dunne scheidslijn is tussen optuigen en aftuigen.
De ellende begon bij de ballen. Nadat ik in een overvolle Action de laatste verdwaalde kerstboom bemachtigd had, realiseerde ik me dat je er ook zooi in moet hangen. Kerstballen en slingers. In een moment van verstandsverbijstering koos ik ervoor om groenblauwe ballen aan te schaffen, wat in het doosje heel leuk leek, maar eenmaal aangebracht op een geheel groene boom eigenlijk vooral als schutkleur fungeerde. Dat is frustrerend, zeker wanneer niemand jou verteld heeft dat je naast ballen ook nog speciale haakjes nodig hebt om die bende mee aan de boom te bevestigen. En dat je dus niet noodzakelijkerwijs alle takken van de boom door de absurd kleine ringetjes bovenop de kerstbal zelf hoeft te persen, zoals ik op die zwarte dag poogde te doen.
Zelden heb ik me zo machteloos gevoeld als tijdens het optuigen van mijn eerste kerstboom. Vredig neuriënd was ik aan de klus begonnen, maar na een uur of twee worstelen met ballen en lampjes wilde ik niet alleen die boom volledig aftuigen, maar ook mijn hele huis. Toch zette ik door. Pas toen ik klaar was, waagde mijn compagnon het om naar beneden te komen en de kerstboom te bekijken.
“Mooi,” zei hij. Alsof het niets was.
“Mooi?! Die ballen gaan er nooit meer uit. Nooit meer,” brieste ik. “Als de kerst voorbij is mieteren we die kutboom in het hok, met alles erop en eraan. Of hij blijft staan en ik gooi er een doek overheen, net zolang totdat het weer december is. Maar die ballen blijven erin.” Ik kon niet meer ophouden. “Zie je hoe klein die ringetjes op die kerstballen zijn? En hoe dik die takken? Die ballen zitten zo strak, zo strak! Ze kunnen er nooit meer uit, al zouden we het willen.”
Het duurde een paar uur voordat ik bijgekomen was en de positieve kanten van de situatie begon in te zien. Ik had doorgezet – mijn grenzen verlegd – en volgend jaar kon ik de boom inderdaad gewoon opgetuigd en al uit het hok trekken. Misschien waren permanente ballen in dat opzicht helemaal zo slecht nog niet. Volgend jaar zou vast alles beter zijn. Volgend jaar zou alles soepeler verlopen.
Een paar dagen geleden was het zover. Ik trok de kerstboom uit het hok, alwaar hij steeds verder was weggezakt in een stoffig hoekje. Fietsen waren op de boom geparkeerd. Maar de ballen zaten er nog in. Euforisch zeulde ik het ding naar binnen en stak de stekker in het stopcontact.
De lampjes deden het niet meer.



Vrijdag 13 December 2013 op 01:34  |   Geen reacties  |  
  |    |