Maten

In de deuropening van haar portiekwoning wacht ze me op. Ze is vierenzeventig jaar oud, maar ziet er verrassend verzorgd uit. Een dame van stand. Ik stel me voor en stap de hal binnen, waar het naar Perzisch tapijt en sigarettenrook ruikt.
“Ben je op de fiets?” vraagt ze.
“Yep, op m'n vouwfietsje!” antwoord ik. “Ik woon best dichtbij, eigenlijk.”
Terwijl ik mijn jas uittrek, bekijkt ze me van top tot teen. Keurend. Onmiddellijk heb ik spijt van de spijkerbroek die ik vandaag heb aangetrokken. Op een slechte dag zaten er opeens een paar gebleekte vlekken op, alsof ik er yoghurt overheen had gemorst. Hardnekkige yoghurt. Op een nog slechtere dag besloot ik dat het misschien beter was om die verdomde vlekken dan maar met een zwarte merkstift in te kleuren. Er hartjes van te maken, of zo. Dat liep uit de hand, natuurlijk. Sindsdien zie ik er in de desbetreffende spijkerbroek een beetje uit alsof ik een doorgewinterde automonteur ben die net onder een lekkende roestbak vandaan komt.
“Toch niet anti-kraak?” vraagt ze. De vrouw is scherp. Ze maakt me een beetje bang.
“Eh – nee, in een gewone huurwoning,” verzeker ik haar.
Ze knikt en neemt mijn jas aan.
In de woonkamer, waar alleen het tikken van een heel grote klok de stilte verstoort, drinken we koffie en probeer ik een tompoes te eten met een vorkje. Dit blijkt zoals altijd een onmogelijke opgave. Tompoezen kun je helemaal niet netjes in stukjes hakken. Je kunt ze hooguit pletten, en dan komt de room er opeens aan alle kanten uit, en dan ben je uiteindelijk toch nog genoodzaakt om de overgebleven smurrie genegeerd met je handen in je mond te proppen.
“Heb je daar wel zin in dan – afspreken met zo'n oud wijf?”
Er bestaan betere vragen om het ijs te breken, vermoed ik, maar vooruit. Ik antwoord dat leeftijd me niet zoveel uitmaakt. Dat ik wel eens wat tijd over heb en dat ik me daarom heb aangemeld als vrijwilliger bij het plaatselijke Maatjesproject.
Een paar minuten en wat koetjes en kalfjes later verandert de uitdrukking op haar gezicht. De spieren ontspannen zich. Ze vertelt over haar kinderen en kleinkinderen, en de kledingwinkel die ze vroeger runde. Opeens is het tijd voor rode wijn en toastjes met geitenkaas. De foto's komen tevoorschijn. Ze glundert terwijl ze vertelt over de tijd dat ze zestien was en stiekem naar de disco ging. Even later trekt ze enthousiast alle lades van haar vriezer open. Dit om te laten zien dat ze altijd haar zelfgekookte avondmaaltijden in eenpersoons porties invriest, en hoe handig dat wel niet is. Ik krijg een recept met tomaten en zalm.
De verhalen blijven komen, ook nadat ik heb aangegeven dat ik maar weer eens richting huis ga. De motorolie op mijn broek is me kennelijk vergeven. Ze zegt dat het haar erg gezellig lijkt om nog eens af te spreken, maar alleen als ik tijd heb en het echt niet erg vind om met een oud wijf op stap te gaan. Terwijl ik het portiek verlaat staat ze opnieuw in de deuropening. Dit keer zwaait ze hartelijk.
Zomaar iemands leven instappen is helemaal niet zo moeilijk.
Weer weggaan; dat is het lastige gedeelte.


Zaterdag 23 November 2013 op 23:20  |   Vier reacties  |  
  |    |  

Phone home

Ik haat bellen, behalve wanneer het naar mijn ouderlijk huis is. Bellen met mijn ouders is op sommige momenten vergelijkbaar met het luisteren naar een ouderwets gezellige aflevering van Buurman & Buurman. Ik vind dat geruststellend. Zo ook gisteravond.
“Je vader heeft zichzelf vandaag bijna afgeslacht!” zegt ze vanuit het niets. Een vrij schokkende mededeling, zou je denken. Niet voor mijn moeder. Ik houd de telefoon dichter tegen mijn oor. Aan de andere kant van de lijn hoor ik haar alleen maar lachen.
“Wat?!” roep ik uit. “Hoé dan?”
“Nou, hij had net zijn hele gezicht onder het schuim gesmeerd om zich te gaan scheren, maar toen ging de telefoon. Dus hij opnemen. Maar tijdens het telefoneren is hij gewoon in het wildeweg doorgegaan met scheren. Dat wil dus niet, hè.”
“Ja hoor. Wie scheert zich dan ook tijdens het telefoneren?”
“Je vader,” antwoordt mijn moeder. “Hij kwam me ophalen van het station en ik zag het meteen. Overal snijwonden. Ik zeg: 'Wat heb jij nou gedaan?!'”
Op de achtergrond hoor ik gemompel. Mijn vader neemt zelden de telefoon op – behalve als hij zich aan het scheren is, kennelijk – maar luistert wel altijd oplettend mee. Het is een gave. Ongehinderd door het gebrek aan een eigen hoorn om mee te luisteren of in te spreken, weet hij toch aan ieder gesprek deel te nemen. Als een soort weggemoffelde echo in de verte.
“Hij zit mij nu ook aan te kijken alsof ik gek ben..” vervolgt mijn moeder.
“Hoezo?” vraag ik.
Opnieuw begint ze te lachen. Daarna: “Ik heb mijn been in mijn nek.”
Rond mijn leeftijd heeft mijn moeder een motorongeluk gehad, waardoor ze haar linkerbeen niet meer kan buigen. Wel kan ze het betreffende been sindsdien kaarsrecht in de lucht gooien en het als een bekwaam turnster langs de zijkant van haar gezicht vasthouden. Moeiteloos.
“Zit ze met haar been in de nek,” hoor ik mijn vader op de achtergrond mompelen.
Op dat moment lijkt het me verstandig om een aantal punten van het verhaal even te recapituleren. Gewoon voor de duidelijkheid. “Dus de een slacht zichzelf bijna af tijdens het telefoneren,” zeg ik, “en de ander vouwt onder het bellen zomaar even een been in haar nek.”
“Ja, even strekken,” zegt mijn moeder.
Ik moet inmiddels ook lachen. Hard en met piepende uithalen.
“Cor, ze stikt er bijna in!” hoor ik mijn moeder uitroepen. Weer gemompel.
Kort daarna is het tijd om op te hangen.
“Nou, ik ga nog even mijn wijntje opdrinken,” zegt mijn moeder. Ik neem afscheid en verbreek de verbinding. Mijn telefoontoestel voelt warm aan. Net als mijn hart.


Woensdag 13 November 2013 op 17:01  |   Geen reacties  |  
  |    |