Mini-sim

Vorige week vond er een memorabel moment plaats: ik kocht voor het eerst iets anders dan boeken en propellerpetten via het internet, namelijk een moderne telefoon. Het gevaarte werd keurig op tijd bezorgd. Ik dacht meteen klaar te zijn. Erbij te horen. Maar nee: “Nu heb je alleen nog een mini-sim nodig,” beweerde mijn compagnon.
Dat was schrikken. De term bracht me terug naar mijn onmiskenbare dieptepunt qua technisch inzicht: de zwarte dag waarop ik een mini-jack in een jack met daarop weer een mini-jack aan het snoer van mijn koptelefoon bevestigde. Wanneer ik tijdens het wandelen muziek wilde luisteren, moest ik speciaal een tas meenemen om mijn mini-jack-in-jack-in-mini-jack-constructie in op te bergen. Het duurde ruim twee weken voor het kwartje viel.

Jackception

Reconstructie van het mini-jack-to-jack-to-mini-jack-debacle

Maargoed, een mini-jack is geen mini-sim. En zonder mini-sim had ik kennelijk niets aan mijn nieuwe telefoon. Ik moest mezelf toch maar naar zo'n TL-verlichte telefoonwinkel vol gelikte jongens in gekleurde bloesjes slepen. Zij zouden me vast verder kunnen helpen.
 Eenmaal daar legde ik kordaat mijn oude en mijn nieuwe telefoon op de toonbank en zei: “Hoi, ik schijn een mini-sim nodig te hebben.” Een medewerker staarde naar de telefoons en zweeg. Hij zag er helemaal niet uit als een gelikte jongen. Eerder als een doorgewinterde bouwvakker die via een reïntegratietraject in deze godvergeten winkel terecht was gekomen.
“Ik heb gehoord dat je het ook zelf kunt doen,” zei ik. Verontschuldigend, nu al. “Met een schaar gewoon een stuk van je oude simkaart afknippen, ofzo – ”
De man zweeg nog steeds.
“ – maar ik knip ook wel eens zelf mijn pony en dat gaat lang niet altijd goed. Dus ik dacht: ik ga maar even naar de winkel.”
“Verstandig,” mompelde de telefoonbouwvakker. Vervolgens wrikte hij mijn oude telefoon op verontrustend lompe wijze open en begon minutenlang aan het simkaartje te peuteren. Zijn handen trilden onophoudelijk. Sowieso waren zijn vingers te dik voor dit klusje. En er zaten zwarte rouwranden onder zijn nagels. Ik kon ze bijna ruiken. Toen de sim eindelijk loskwam, zette hij met een harde klap een ponsapparaat op de toonbank. Een soort guillotine voor simkaarten, bleek. Mijn kaart, al zeven jaar een trouwe metgezel, ging eronder.
“Het gaat niet altijd goed,” zei de bouwvakker. De guillotine viel. Er bleef maar een heel klein stukje van de kaart over.
“O kijk, dat is vast de mini-sim,” constateerde ik.
De man negeerde me. Op zijn gezicht een grimas. Hij was druk bezig nu ook mijn nieuwe telefoon te grazen te nemen. Die mini-sim moest daarin, al was het het laatste wat hij deed.
“Hoe moet hij aan?” vroeg de bouwvakker.
“De telefoon? Geen idee,” zei ik. Dat was ook zo.
Reden voor hem om bedachtzaam over zijn beide neusgaten te wrijven en direct daarna over het gloednieuwe touchscreen van mijn telefoon. Aan de zijkant vond hij de juiste knop.
“Hij doet het. Alsjeblieft.”
De telefoon voelde warm en zweterig aan. Deze man had niet alleen een mini-sim in het toestel gestopt, maar ook zijn ziel en zaligheid. Ik kon ervan walgen – maar ik kon ook gewoon waarderen dat hij zijn best had gedaan, ondanks die dikke vingers. Ik ging maar voor het laatste.
“Dank u wel,” zei ik. “Was mij nooit gelukt, dit.”
De grimas veranderde in een mini-glimlach. Mini-overwinning.


Woensdag 17 Juli 2013 op 12:27  |   Geen reacties  |  
  |    |