Festival

It's actually quite clean,” zei de jongen die het hokje uitkwam. Daarna hield hij de deur voor me open en gebaarde dat ik de ruimte kon betreden. Dat had best galant kunnen zijn – ware het niet dat we ons voor een naar pis riekend toiletgebouw op een modderig festivalterrein bevonden. In zo'n setting komt hofmakerij toch wat minder goed uit de verf, vind ik persoonlijk.
O, ehh – ok. Well done!” antwoordde ik.
Ook dat was helemaal verkeerd. Alsof ik de jongen complimenteerde met het feit dat hij in het toilet gescheten had in plaats van tegen de muren. Hoofdschuddend maakte ik de walk of shame richting de pot en trok snel de deur dicht. Aan dit fiasco viel niets meer te redden. Note to self: nooit meer praten tijdens de wisseling van de wacht bij de festivaltoiletten. Zelfs geen oogcontact maken. Immers, je deelt al een wc-bril met de volslagen vreemde die zojuist uit dat hokje is gestapt. Dat is eigenlijk wel meer dan genoeg.
Een harde les, maar dit was ook pas mijn eerste echte festival. Ik kon nog niet alles weten. Juist: ik ben een kwart eeuw oud, groot muziekliefhebber en meester in ongecontroleerde dancemoves – maar toch, tot afgelopen weekend was ik nog nooit naar zo'n meerdaags spektakel geweest. Ik heb de lieftallige karaktertrek best wel chagrijnig te worden als ik langer dan anderhalve dag onophoudelijk heel veel mensen om me heen heb, vandaar. Maar met die aanstellerij moest het maar eens afgelopen zijn. Dus ik ging.
Naast toiletetiquette heb ik op mijn eerste festival de volgende dingen geleerd:
1. De broek die ik thuis als mijn pyjamabroek beschouw, is in het parallelle universum der festivals kennelijk heel erg hip. Maar dan, en nu komt het, voor overdag. Heel veel festivalmeisjes droegen mijn pyjamabroek alsof het helemaal geen pyjamabroek was. Dus toen ben ik dat ook maar gaan doen. “Dag 3: nog steeds niemand die doorheeft dat ik hier eigenlijk in mijn pyjamabroek rondloop,” dacht ik steeds. Lieve Heer, het was fantastisch.
2. Er bestaan daadwerkelijk mensen die bereid zijn in de rij te staan voor het opladen van hun mobiele telefoon. Terwijl je op datzelfde moment ook gewoon in de rij kunt staan voor veel betere dingen, zoals patat en bier, of – als je echt eens gek wilt doen – een optreden van een band. Daarom stel ik voor dat er, met name in het gebied rond de mobiele oplaadpunten, groepen zakkenrollers worden ingezet om dit soort excessen te voorkomen. Zij kunnen de telefoons elimineren. Dat is niet per se leuk; een beetje zoals het afschieten van een teveel aan ganzen om de populatie en de omgeving in balans te houden. Maar het is wel nodig.
3. Het eten op festivals is een farce. Ik dacht bijvoorbeeld een broodje bal te kopen, maar in werkelijkheid kreeg ik een bal en een los stuk brood. Infaam en abject, vind ik. Een bal en een broodje is iets wezenlijks anders dan een broodje bal. Bovendien heb je zo'n drie porties nodig voor een goede bodem, zeker met mijn postuur (162 centimeters en 52 kilogram schoon aan de haak).
4. Eén paar kleren is genoeg. Als je al niet eens je pyjamabroek hoeft uit te trekken om aan de dag te beginnen, dan kan je de rest van je outfit ook wel gewoon dag en nacht aanhouden. Het draait allemaal om de feromonen, mensen.
5. Het is, zoals ik vooraf al vreesde, inderdaad onmogelijk je aan de drukte te onttrekken. Zelfs als je hevig stinkend in je pyjamabroek op een schommel in het bos gaat zitten, zullen er toch nog willekeurige andere aapachtigen zijn die óók op diezelfde schommel willen plaatsnemen.


Ik en mijn pyjamabroek

Maar de voornaamste les: ik kon het prima aan, de drukte. Drie hele dagen onder de mensen. Een stuk of 15.000, zelfs. Hartstikke leuk. De komende maanden ben ik in retraite, maar volgend jaar ben ik opnieuw van de partij. Ik, en mijn pyjamabroek ook.


Donderdag 27 Juni 2013 op 22:12  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Bustour

Enkele weken geleden plofte er een fantastische uitnodiging op mijn deurmat: de burgemeester van Leeuwarden (die “Ferd” heet in plaats van Fred – true story) vroeg of ik, als relatief nieuwe inwoner van Friesland, zin had om mee te gaan op een bustour door heel de gemeente. Met gids.
Omdat ik iemand ben die vooral kansen die tot niets leiden met beide handen aangrijpt, besloot ik me als de donder in te schrijven. Zo kon het gebeuren dat ik afgelopen zaterdagochtend samen met een stuk of tachtig bejaarden in een grote, witte touringbus zat. Klaar om rondgereden en gepamperd te worden.
De gids stak van wal met zijn obligate introductiepraatje. We zouden eerst een tour krijgen en daarna een koffiestop maken in een mooi natuurgebied buiten de stad. Zijn praatje eindigde met een huishoudelijke mededeling, namelijk: “Er is een toilet in de bus aanwezig, dames en heren!”
In zijn stem klonk een zekere trots door. Alsof hij na deze onthulling een daverend applaus verwachtte. Maar niemand klapte. Dus toen vertrokken we maar.
Al snel bleek dat we in plaats van dóór de mooie historische binnenstad, voornamelijk om de stad héén zouden rijden. Ergens had ik het wel kunnen weten: zowel de bus als het merendeel van de inzittenden waren niet erg wendbaar. Dan maar snel het industriegebied op. Gelukkig liet de gids zich niet ontmoedigen.
“Aan uw linkerzijde ziet u de Praxis, met daarachter het gebouw van Omrop Fryslan,” zei hij. En, tijdens het passeren van een bouwput met een paar mooie takelwagens: “Er wordt hier volop aan de weg gewerkt!”
Na ongeveer een uur was het tijd voor de koffiestop in het natuurgebied. Ik stapte uit om wat rond te kijken – dat leek me de bedoeling – maar het merendeel van de ouderen besloot lekker in de bus te blijven zitten. Daardoor had de koffiepauze eigenlijk net zo goed op een parkeerplaats voor truckers of in een van de bouwputten kunnen plaatsvinden, maar dat leek niemand te deren.
Slechts een enkeling kwam nog even in de benen, namelijk om gebruik te maken van het groots aangekondigde toilet. Dat weet ik omdat ik op dat moment naast de bus stond en de urine er aan de onderkant van het voertuig weer uit zag lekken, zo op het asfalt.
In shock strompelde ik ook maar weer terug naar mijn stoel. Binnen in de stilstaande bus dronken de mensen gezapig hun koffie, met op schoot precies één Fryske dumke. Bij wijze van een grand finale werd er ook nog een Tupperware-trommel met Marsen en Twixen doorgegeven. Allemaal A-merk. Ik vermoed dat burgemeester Ferd ons op die manier duidelijk wilde maken dat zijn stukje Friesland, zelfs in crisistijd, nog altijd welig tiert.
Bij terugkomst in de binnenstad wist ik niet zo goed of ik me nu meer of juist nog minder Fries voelde dan voorheen. Ik denk dat het is zoals met gothics en emo's: Fries word je niet, Fries bén je. Niet dus, in mijn geval.
Maar ik voelde me absoluut heel welkom, lieve Ferd.
Met die dikke vette Mars in mijn tas.


Maandag 03 Juni 2013 op 23:23  |   Geen reacties  |  
  |    |