Faalangst

“Niet geschoten is altijd mis!” zeggen de mensen wel eens. Die uitdrukking heb ik nooit zo goed begrepen. Wat mij betreft is 'niet geschoten' niets meer en niets minder dan dat: niet geschoten. Het is niet raak, het is niet mis. Het is gewoon niets. Een 'niets' die, in potentie, 'iets' had kunnen zijn. Maar dat blijft bij niet-schieten dus mooi in het midden. En een ding is zeker: aan jouw schietkunsten heeft het in elk geval niet gelegen.
Op die manier heb ik in mijn leven al heel wat dagen, weken en maanden verprutst. Ik ben een meester in het uitstellen van het schieten. Doodsbang om ergens aan te beginnen, er m'n best voor te doen, en dan – de horror – het risico te lopen alsnog te falen. Falen in de wetenschap dat het volledig aan jou en je eigen kunnen heeft gelegen. Dat lijkt me het allerergste.
“Dan maar beter niks doen,” is mijn natuurlijke reflex. Tegelijkertijd verschijnen de beren op de weg. Duizend redenen waarom mijn plannen inderdaad gedoemd zijn te mislukken. Zo kon het gebeuren dat ik mijn afstudeerscriptie echt heel graag wilde schrijven, maar toch de eerste paar weken voornamelijk zwetend en angstig op de bank doorbracht. Ik werd geteisterd door irrationele gedachten: “Mijn brein is een intellectueel riool / dit gaat nooit lukken / die arme docent heeft wel wat beters te doen dan zich verdiepen in mijn brainfarts!”
Dat soort dingen.
Maar het kan nog erger, qua irrationaliteit. Op mijn eerste werkdag in de bakkerij was ik er bijvoorbeeld volledig van overtuigd dat ik nooit, maar dan ook nooit, succesvol brood in een zakje zou kunnen stoppen. Laat staan met de kassa werken. Denken deze mensen serieus dat ze bij mij een brood kunnen kopen? Hoe komen ze erbij?! Voor mijn gevoel kon ik elk moment door de mand vallen. Ik voelde me werkelijk als een hond die een F16 probeert te besturen.
In dit licht hoef ik verder denk ik niet uit te leggen dat afgestudeerd zijn en solliciteren naar serieuze banen en opdrachten me tot nu toe vrij zwaar valt. Zeker in tijden van economische cholera. Het is moeilijk om jezelf, nog nat achter de oren, steeds opnieuw aan te sporen toch maar weer een schot te wagen. Ook al ben je bang en wil je eigenlijk liever alleen maar apathisch naar je pistool staren. Soms word ik er doodmoe van. En dan die verrekte beren. Met hun armen gespreid blokkeren ze iedere weg die ik probeer in te slaan. Come at me bro, brullen ze. Dat gaat uiteindelijk ook heus gebeuren. Ik moet en zal mijn beren weer trotseren. Uiteindelijk barst de bom, durf ik alles, ben ik als een ninja.
Ik doe er alleen net even iets langer over.


Woensdag 29 Mei 2013 op 18:47  |   Vijf reacties  |  
  |    |  

Sjans

Frenk stond al een tijdje tegenover me, vlakbij de bar. Hij droeg een dikke rode fleecetrui, terwijl het echt best wel warm was in de kroeg. Misschien dat daardoor zijn voorhoofd ook zo glom. Zijn ogen waren glazig en zijn mond hing een beetje open.
Zo stond hij me dus al minutenlang ongegeneerd aan te staren.
Iets zei me dat ik maar beter niet zijn kant op kon kijken, want dan zou hij vast proberen een gesprek aan te knopen. Doorgaans heb ik geen oog voor sjans, maar hier was werkelijk geen ontkomen aan. Gewoon doorpraten met de aardige bekende aan mijn rechterzijde, dus.
Helaas bleek Frenk een volhardende jongen. Zijn blik deed me een beetje denken aan de manier waarop ik zelf meestal naar een dampende schaal lasagne met extra veel kaas kijk: gretig. Ik werd er best bang van, inmiddels, en ook de bekende naast mij kreeg het gevoel dat er iets moest gebeuren.
“Hoi, ken je haar of zo?” vroeg hij.
“Nog niet,” antwoordde gretige Frenk.
Hij greep de gelegenheid aan om zichzelf voor te stellen. Frenk dus.
Omdat ik en de mensen met wie ik me omring over het algemeen niet de kwaadsten zijn, wilden we best een gesprekje met Frenk voeren. Misschien had hij gewoon iets heel leuks te vertellen – een goede mop of zo. Je weet maar nooit.
Jammer genoeg bleef Frenk me voornamelijk wezenloos aangapen, zwetend in zijn rode trui. Dat begon nu toch wel echt vervelend te worden. De bekende aan mijn rechterzijde deed een dappere poging een einde te maken aan deze ellende, namelijk door zich te presenteren als mijn aanstaande echtgenoot.
“Wij gaan binnenkort trouwen,” zei hij. “De koetsen zijn al geregeld.”
“Ja, heel veel koetsen met paarden. Ik wil ook nog eenhoorns,” voegde ik eraan toe. “Ik ben echt een diva. Heel veeleisend.”
Maar Frenk liet zich niet kisten, zelfs niet door een naderend huwelijk en zelfverklaard divagedrag.
“Voor jou zou ik ook koetsen regelen,” verklaarde hij.
De situatie begon groteske vormen aan te nemen. Er restte mij niets anders dan naar mijn bier staren en bidden dat het rode gevaarte plotseling zou verdwijnen.
“Maarree, ik vind het niet zo leuk dat je zo naar mijn aanstaande vrouw loert,” zei de bekende die binnenkort kennelijk mijn echtgenoot zou zijn. “Dus misschien moet je even weggaan, of zo.”
Frenk deerde het allemaal niets.
“Ik geloof het niet,” zei hij. “Dat jullie gaan trouwen.”
Daarna achtte hij de tijd rijp om mij te vertellen dat hij wel kon verdrinken in mijn ogen.
Ik kon inmiddels wel verdrinken in awkwardness, of als het echt nodig was in mijn bier.
Het was duidelijk dat Frenk niet van plan was om weg te gaan. Nooit meer. Zelf vertrekken was de enige uitweg. Dat, of doodgaan.
Ik koos voor het leven en bad dat Frenk voortaan, in godsnaam, uitsluitend nog voor de hard-to-get sjansmethode zou gaan. Misschien dat er dan, op een heel mooie dag in zijn leven, een of ander lief meisje wél die rode fleecetrui van zijn lijf wil scheuren.
---
Wegens privacyoverwegingen is de naam Frenk gefingeerd, of nou ja, ik heb een letter veranderd. Ik zeg niet welke. Trololol. 


Donderdag 16 Mei 2013 op 15:18  |   Twee reacties  |  
  |    |