Gratis reizen met treinvervangend vervoer

of: de kunstminnende buschauffeur die heus geen cultuurbarbaar was

“Naar Akkrum?” vroeg de buschauffeur.
“Het schijnt,” zei ik. Ik wapperde met het boekje van Kees van Kooten dat vandaag als mijn vervoersbewijs zou gelden, en stapte in.
Ik had het wel kunnen weten, ergens. 'Gratis reizen met de trein op vertoon van het boekenweekgeschenk' had er op de site van de NS gestaan. Eigenlijk bedoelden ze natuurlijk: 'Gratis reizen met treinvervangend vervoer op vertoon van het boekenweekgeschenk.” Dom van me.
De bus druppelde vol met verwarde mensen die eigenlijk naar Zwolle of de randstad wilden en nu opeens in een godvergeten plaats genaamd Akkrum zouden worden gedropt. Een gezellige boel, zoals jullie begrijpen.
“Ik heb een boekenweekgeschenk,” zei een degelijk ogend meisje van mijn leeftijd bij binnenkomst. Ze hield een al even degelijke plant vast. “U weet ervan?” vroeg ze.
Niet per se op een minachtende toon. Maar toch een klein beetje belerend.
“Ja, ja. Ik weet het,” zei de buschauffeur. “Ik ben geen cultuurbarbaar, hoor!”
Het meisje knikte en ging zitten.
“Ik ben zelfs een keer naar Sint-Petersburg geweest,” vervolgde de chauffeur. Onverwachts en tegen niemand in het bijzonder. “Naar de Hermitage. Het was prachtig.”
Ik had er graag meer over gehoord. Helaas kwam er direct na deze onthulling een jolige huismoeder met een pittig kapsel binnen. Hysterisch vroeg ze of ze deze bus moest nemen om in Zwolle te komen. Toen ze eenmaal zat, schreeuwde ze dat het allemaal 'net als schoolreisje' voelde en zette meteen maar een bijpassend liedje in.
Reden voor de kunstminnende buschauffeur (die heus geen cultuurbarbaar was) om het voertuig aan te trappen. Het ronken van de bus overstemde het gezang van de vrouw – en dat was waarschijnlijk ook precies de bedoeling. Ik mocht deze man wel.
Twintig minuten later werden we losgelaten in Akkrum.
Het was uitgerekend het pittige kapsel, met daaronder dus die vrouw, dat mij nerveus volgde op weg naar het station.
“En nu?” kirde ze.
“Nou, ik heb zo'n vermoeden dat er hier maar één spoor is, waar één trein langs komt, die vandaag blijkbaar maar één kant op gaat – ik denk niet dat we het echt verkeerd kunnen doen,” antwoordde ik.
Eenmaal in de trein dacht ik terug aan de buschauffeur. Ik stelde me voor hoe hij heimelijk droomde van kunst in Sint-Petersburg, terwijl hij dus in werkelijkheid de godganse dag het bescheten traject Leeuwarden-Akkrum aflegde. Luisterend naar het gekrijs van dagjesmensen die het bijna in hun broek deden van de spanning die een gewijzigde treinreis voor hen met zich meebracht.
Ik hoopte maar dat de beste man snel vakantie zou hebben, zodat hij zijn niet-cultuurbarbaarschap naar hartelust verder zou kunnen ontplooien tijdens een volgende verre reis.
Al dan niet op vertoon van het boekenweekgeschenk.


Maandag 25 Maart 2013 op 15:07  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Op avontuur

Dit weekend besloot ik op avontuur te gaan in Groningen, mijn geliefde oude woonplaats. Op bezoek bij een vriendin en daarna naar een leuk feestje met obscure bandjes. We gingen er lopend heen. Dat was best een eind, zo met de benenwagen, dus op de terugweg kon ik beter de laatste bus naar het station nemen en vervolgens de laatste trein naar Friesland halen.
Nu ben ik meestal best punctueel met dat soort dingen. Maar na twee bier gaat de tijd altijd opeens heel snel. Dan zit ik net middenin een bevlogen gesprek over, ik noem maar wat, het hijgen van de Engelse Cockerspaniël – en verrek: ik moet de bus halen.
Nou, dat ging dus niet helemaal goed. Na het missen van de bus had ik nog een klein halfuur om, plan B, dan maar te voet op het station te komen. Een onmogelijke opgave, maar in mijn brein was de teerling al geworpen. Ik ging dit wel even doen.
Rennend als een Keniaan met een turbostart doorkruiste ik de krochten van allerlei Groningse buitenwijken. Dat station was nog een verdomd eind weg. Tegen de tijd dat ik op de Grote Markt aankwam – ondertussen daadwerkelijk hijgend als een Cockerspaniël – moest ik de realiteit maar eens onder ogen zien: ik ging die laatste trein niet meer halen. En ik was al helemaal geen Keniaan.
Verder met plan C: teruglopen naar het feestje en doen alsof ik gewoon even een frisse neus gehaald had. Slaapplaats regelen bij de vriendin die daar nog vertoefde. Appeltje, eitje.
Helaas kon ik het feestje niet terugvinden.
“Waar is het feestje?! Hier is het feestje – niet.” Dat idee.

Ik liep en ik liep, en het sneeuwde, en mijn voeten begonnen eigenlijk best wel pijn te doen. Dat was kennelijk te merken, want een behulpzame jongen op een fiets vroeg of ik soms verdwaald was.
“Waar moet je zijn dan?” vroeg hij.
“In de Antillenstraat. Maar ik weet het nummer niet.”
Dat ging hem te ver. Hij fietste weg zonder me verder te helpen.
Gelukkig kwam ik kort daarna een vrouw met drie hondjes tegen. Ze wist niet welke straat ik zocht, maar ik mocht wel die honden even aaien. Dat was leuk.
Uiteindelijk was het een jonge vrouw verkleed als een lieveheersbeestje – best wel een vervreemdende verschijning op dat uur en in die toestand – die me de juiste weg wist te vertellen.
Het feest was er nog en een bedje kon ik ook wel krijgen. Helaas stond dat bed dan wel weer helemaal aan de andere kant van de stad.
Nog even een stukje lopen, dus.
Na een gebroken nacht in een – godzijdank – warm logeerbed keerde ik dan eindelijk terug naar mijn eigen huis. Nadat mij verteld was dat ik eruit zag als een gestorven vogeltje, besloot ik voor de grap eens op Google Maps te kijken naar de route die ik die nacht had afgelegd. Al snel bleek de tergende spierpijn in mijn hele lichaam niet geheel ongegrond.
“Wow man, ik heb in totaal ruim zestien kilometer gelopen,” zei ik.
En toen ging ik me ernaar gedragen ook. Liggend onder een dekentje op de bank verklaarde ik dat ik 'gebroken' was. “Never forget..” voegde ik er met betraande ogen aan toe.
Ik sliep als een zwaarlijvige Keniaan. Zonder turbostart en met narcolepsie.
Pas morgen ga ik weer slenteren.


Zondag 17 Maart 2013 op 11:36  |   Twee reacties  |  
  |    |  

Gouden kinderen

“Heb jij een goldcard of een silvercard?” prijkte er gister op de voorkant van nrc-next. De kop verwees naar een artikel over een decadente crèche in 't Gooi met de veelzeggende naam Kinderopvang Koningskinderen. Daar hadden ze namelijk iets nieuws bedacht: ouders kunnen voortaan kiezen of ze hun kinderen in de 'zilveren groep' of de 'gouden groep' onderbrengen.
Het verschil? In de gouden groep krijgen de kinderen biologische producten te eten, ze worden uitsluitend ingedeeld bij leeftijdsgenootjes en ze kunnen desgewenst ook nog een warme maaltijd opsmikkelen.
In de zilveren groep gaat het er iets minder luxueus aan toe. Die kinderen krijgen 'gewoon' huismerken voorgeschoteld en ze eten supermarktbrood in plaats van boterhammen van de warme bakker. Ook worden alle leeftijden er door elkaar gegooid.
Nu moet ik er wel aan toevoegen dat deze zilveren groep het bij Kinderopvang Koningskinderen nog altijd lang niet slecht heeft: de kinderen spelen in een stijlvol ingerichte kamer met ambachtelijk houten speelgoed. Er is sfeervolle verlichting. Ze zitten dus in elk geval niet in zo'n lelijk buurtgebouwtje met TL-verlichting en goedkoop zeil op de vloer, zoals het gewone volk. Die zouden in deze rangschikking welzeker als 'verroest ijzer'-groep aangeduid worden.
Toen ik het las moest ik een beetje kotsen. Dat had in eerste instantie te maken met de gekozen benaming. Want hoe je het ook went of keert: als je de ene groep 'zilver' noemt en de andere 'goud', dan zit daar een waardeoordeel in. Het kan toch niet de bedoeling zijn om kinderen al van jongs af aan mee te geven dat er kennelijk een onderscheid is tussen dubbeltjes en kwartjes – en kwalijker: dat het heel gewoon is dat zij in het dagelijks leven in verschillende groepen ingedeeld worden?
Dit lijkt me een typisch voorbeeld van marktwerking-gone-bad. Ik begrijp best dat het fijn is voor ouders om iets te kiezen te hebben, of dat ze graag zelf bepalen wat hun kind op de opvang allemaal naar binnen werkt. Maar dat zijn praktische zaken die makkelijk zat op te lossen zijn: geef je kind een broodbakje mee met z'n eigen biologische maaltje. Daar hoeft heus geen verheven gouden groepje voor opgericht te worden. Als de zorg en de veiligheid maar gewaarborgd zijn, dan vermaken ook die rijkeluiskindjes zich heus wel onder een bak TL-verlichting. Liefst samen met de kinderen van de bakker en de timmerman.
Op die manier leren de gouden kinderen van Nederland tenminste ook nog iets dat veel waardevoller is dan alle materiële zaken bij elkaar: dat hun rijkdom niet vanzelfsprekend is, en dat je tegenwoordig zowel voor een dubbeltje als voor een kwartje helemaal niets meer koopt.


Dinsdag 05 Maart 2013 op 16:07  |   Geen reacties  |  
  |    |