Meneer Duif

Dit stukje schreef ik ooit voor I Like Groningen en toen ben ik ongeveer een jaar lang elke dag vergeten om 't ook hier te publiceren. Beter laat dan nooit he, jongens.

---

Afgelopen zondagochtend stond ik bij het station op een bus naar Friesland te wachten. Door de speakers van mijn koptelefoon klonk een nummer van Beck waarin, heel subtiel en perfect geïntegreerd in de muziek, het koeren van een duif te horen was.
Ik ging nogal op in die duiven-sample. Zozeer dat ik niet had opgemerkt dat er een man van een jaar of zestig recht voor mijn neus was gaan staan. Ik zag zijn mond bewegen, maar hoorde slechts het gekoer. De man leek ook eigenlijk wel een beetje op een duif: rond en grijs, relatief klein hoofd. Beetje hulpeloos, net iets te beweeglijk.
Ik besloot mijn koptelefoon af te zetten.
“... -an het niet lezen, maar hij komt zo, toch?” Vragend wees de man naar het kaartje met de dienstregeling.
Ik keek eens goed. “Ja, hij komt zo,” antwoordde ik.
De man wreef in zijn handen. Plots haalde hij een verfrommelde flyer uit zijn jaszak.
“VLOOIENMARKT” stond erop. Meneer Duif, zoals ik hem inmiddels had genoemd, keek me grijnzend aan.
“Gaat u daarheen?” vroeg ik.
Hij knikte hevig. “Jááá, ja. Het is in een grote hal! Machtig mooi. Ik koop straks een gehaktbal.”
“Altijd goed,” zei ik. Ik kon me niet heugen wanneer ik voor het laatst een gehaktbal had gegeten. Maar ik mocht meneer Duif wel.
“En dan bestel ik er stiekem een biertje bij, he!” glunderde de man. “Lekker, gehaktbal en een biertje. Zie je deze schoenen? Vijf euro! Op de vlooienmarkt!”
De man en ik keuvelden zo wat voort. Dat het eurokaartje helemaal geen eurokaartje was, maar – in feite – meer een ééneurovijftigkaartje. Weer die gehaktballen. En dat er volgende week ook een vlooienmarkt in Eelde zou zijn.
Al snel kwam de bus van meneer Duif. Opgetogen zocht hij een plaats ter hoogte van het bushokje en lachte naar me vanachter het raam. Ik zwaaide.
Eenmaal begonnen aan mijn eigen reis luisterde ik opnieuw naar het nummer van Beck. Ik dacht aan die vieze, vette patatduiven die zichzelf in het stadscentrum stelselmatig voor mijn fiets werpen – en zwoor ze nooit meer te vervloeken.


Dinsdag 27 November 2012 op 19:36  |   Geen reacties  |  
  |    |  

De massale domesticatie van de wandelende tak

Mijn kindertijd werd gekenmerkt door een aantal volstrekt willekeurige en zeer hardnekkige trends: flippo's, tamagotchi's, oerlelijke 'tribal'-sieraden (“net een echte tattoo!”), trollen met gekleurde haren en ga zo maar door. Maar de hype die mij achteraf toch wel het meest verbaast: de massale domesticatie van de wandelende tak in de jaren negentig.

Op een gegeven moment hadden alle buurtkinderen, mezelf incluis, er wel eentje. We hielden de tak als 'huisdier', in een plastic bakje van de Chinees of een lege emmer Huzarensalade. Wat gaatjes in de deksel en klaar was je. Geen omkijken meer naar.

In feite had je natuurlijk überhaupt geen drol aan zo'n veredelde stok. Soms kon je hem niet eens zien – zat 'ie gecamoufleerd in het bakje tussen de bladeren. Eruit halen was ook niet echt een optie: wandelende takken verliezen relatief gemakkelijk hun ledematen. Je hoeft ze maar te aaien of op ze te gaan zitten en het is al mis.

Het domesticeren van wandelende takken was daardoor, godzijdank, een trend die niet erg lang stand hield.

Dat gaf voor mij niks. Wij hadden thuis genoeg fatsoenlijke (lees: aaibare, harige, schijtende) huisdieren. We hadden een manisch konijn dat zijn kop permanent scheef hield. We hadden cavia's: eerst twee, op een dag twintig. Diverse Russische dwerghamsters. Pas toen alle kleine dieren dood waren besloot mijn vader, een wijs man, dat alleen een hond eigenlijk ook wel genoeg was. Die hoefde tenminste niet in een kooitje en ging wat langer mee.

Toch kan ik me van al die kleine beestjes, en hun vaak vroege dood, nog wel iets herinneren. Behálve, en nu komt het, van mijn wandelende tak. Ik weet oprecht niet wat er met mijn tak gebeurd is. Dood, weggelopen, aangezien voor een lege bak Huzarensalade en verdwenen in het huisvuil.. het kan allemaal.

Dit baarde mij zorgen. Voor hetzelfde geld leefde de wandelende tak nog steeds en zat hij nu ergens onder de fundering van mijn ouderlijk huis - uitgegroeid tot een immense, wandelende boomstronk.

Naarstig verrichtte ik nader onderzoek op internet. Godzijdank: wandelende takken kunnen hooguit drie jaar worden, maar leggen in de praktijk meestal na vier maanden het loodje. Officieel moet je ze ook helemaal niet in een Huzarenemmer met gaatjes bewaren, las ik. Mijn angst maakte plaats voor een schuldgevoel. Mijn god, wat had ik die tak aangedaan?

Dit mag nooit meer gebeuren. Bij deze wil ik, ook namens mijn leeftijdsgenoten, mijn excuses aanbieden voor wat gezien kan worden als een massamoord op de takkenpopulatie in de jaren negentig. Sorry, takjes. We hadden jullie nooit zo'n takkenleven mogen bezorgen.


Donderdag 15 November 2012 op 19:13  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Rijstepap en macaroni

In één van mijn favoriete boeken, The Wind-Up Bird Chronicle van Haruki Murakami, is een brief opgenomen waarin gesproken wordt over causaliteit. De briefschrijfster verwondert zich erover dat veel mensen de wereld zien als een logische, consistente plek – en dat alle gebeurtenissen, in de samenleving als geheel en in een mensenleven, zijn te verklaren in termen van oorzaken en gevolgen: als je A doet, dan volgt B. Maar kan je je leven wel echt volledig zelf sturen, zolang je maar logisch en consistent handelt? May Kasahara, de briefschrijfster, denkt van niet.

Om haar twijfels te illustreren gebruikt ze een mooi voorbeeld: wanneer je een zakje instant rijstepap met water in de magnetron doet, en het belletje rinkelt, dan heb je – jawel – rijstepap. Lijkt logisch. Maar wat gebeurt er in de tussentijd, achter het gesloten deurtje? Misschien verandert de pap wel stiekem in macaroni met kaas als er even niemand kijkt, om vervolgens weer als rijstepap te verschijnen zodra het deurtje opengaat.

Dat voorbeeld is eigenlijk heel representatief voor hoe het bij ons mensenkinderen meestal écht gaat: we geraken, als het om onze dromen en doelen gaat, zelden rechtstreeks van A naar B. Vaker komen we eerst langs H, A, P en Q om uiteindelijk, misschien, op het punt te belanden dat we bij aanvang voor ogen hadden. Er zijn genoeg mensen die, bij wijze van spreken, rijstepap in de magnetron des levens stoppen en er vervolgens – ook tot hun eigen verbazing – toch een bord macaroni met kaas uithalen.

Ik ben er zo eentje, denk ik.

Na het lezen van de brief dacht ik na over het pad dat ik zelf in mijn flapdrolesque leven bewandeld heb. Van consistentie is weinig sprake: ik ging eigenlijk helemaal niet studeren in Groningen om een verborgen talent voor het beleggen van broodjes te ontdekken. Ik verhuisde, eenmaal daar, ook niet naar een nieuwe kamer om via een mij onbekende huisgenoot in contact te komen met het halve Friese volk – laat staan om uiteindelijk in hun Heitelân te eindigen. Het gebeurde allemaal maar een beetje. H, P, A, Q... wanneer, hoe en of B nou komt? Geen idee.

Een logisch geheel kan ik het niet noemen. Maar die macaroni met kaas, op de zijpaadjes, is ook prima te eten.


Donderdag 01 November 2012 op 15:07  |   Geen reacties  |  
  |    |