poème, II.

Eén van de eerste lentedagen
lekker zitten aan het water tussen
peuken en plastic zakjes
lekker zitten tussen
baantjestrekkende eendsletjes
die van jan en alleman een
stukje brood proberen te regelen
door te draaien met hun
eendenkontjes


Woensdag 30 Maart 2011 op 10:30  |   Geen reacties  |  
  |    |  

de werver

Wanneer ik baal van mijn werk als bakkersmeisje, denk ik altijd even aan al die studenten die op straat staan met een clipboard en een katslelijke jas die ritselt als een zak chips - want die zijn pas zielig. Ze werven voor goede doelen en verdienen daar geld mee. Dat is op zichzelf al een vreemd gegeven, maar toch heb ik wel eens met die arme mensen te doen. Niemand wordt blij van ze. Het janhagel loopt met een grote boog om ze heen, alsof het een stel melaatsen betreft. Enigszins psychotisch kijken ze om zich heen, zoekende naar potentiële slachtoffers tussen de grotendeels nukkige massa. Ze lachen krampachtig, maar hun ogen lijken te huilen.

Afijn, ik ben dus áltijd zo'n potentieel slachtoffer. Mijn hoofd is te blij, verdorie. Laatst stond er weer zo'n kluitje jassen te ritselen bij de Hema. Ze zagen mij en mijn niet-aflatende glimlach al van ver aankomen. Eén van de jongens liep nonchalant wat heen en weer, zoals een keeper in het doel. Telkens wanneer ik iets naar links uitweek, deed hij dat ook - er was werkelijk geen ontsnappen aan.

'Já! Jij lacht ons tegemoet! Jij hebt vást wel even een momentje.' Hij had een gladde kuif en een brakke, krakende stem. Gepijnigd mompelde ik: 'Oh.. Néé. Nee, nee. Nee, hoor!' Maar alleen 'nee' werkt niet, mensen. Alsnog begon de jongen zijn verhaal over meervoudig gehandicapte weeskinderen in oorlogsgebieden die op straat leven en hard kleurpotloden nodig hebben. Vervolgens voelde ik me schuldig toen ik een kaasbroodje voor mezelf kocht. Kutjong.

Inmiddels heb ik ontdekt dat je zo'n werver het best de mond kan snoeren door hem te confronteren met je eigen geldgebrek. Deze methode heb ik twee keer succesvol toegepast. De eerste keer was in mijn grunge-periode en luidde: 'Ik heb geen geld, kijk maar, ik heb zelfs een gat in mijn broek.'

De tweede keer was van burgerlijker aard. Ik had een afdruiprek aangeschaft en wilde geen tasje van de verkoopster. Ik wil eigenlijk nooit tasjes van de verkoopster, en daardoor loop ik meer dan eens met willekeurige, niet-handzame producten door de winkelstraat. Dit keer kwam dat goed uit. Een werver sprak me aan, maar ik viel hem bruut in de rede met een one-liner die ik zelf ook niet echt had zien aankomen. Kordaat brulde ik: 'Nee. Dit afdruiprek was een rib uit mijn lijf!' Om mijn bewering kracht bij te zetten drukte ik het rek even goed onder zijn neus, als bewijs. Ik kon meteen doorlopen.


Dinsdag 29 Maart 2011 op 10:02  |   Eén reactie  |  
  |    |  

Een stukje samenzijn

Soms, meestal na wat biertjes en wilde danspassen, heb ik de onbedwingbare behoefte om zompig voedsel uit een snackmuur te trekken. Toch is zo’n vetmuur eigenlijk een heel vreemd verschijnsel. Zijn vele facetten moeten nodig eens besproken worden.
Enerzijds geeft de snackmuur me een beschaamd gevoel. Zelfs in beschonken toestand kan ik het niet helpen me te verbazen over de tragiek van het hele gebeuren: dronken mensen die wiebelend in hun zakken graaien op zoek naar een beetje kleingeld. Stap één. Vervolgens moet het kleingeld nog in de muur geworpen worden, een handeling die vaak meer controle over de ledematen vereist dan dronken mensen kunnen opbrengen. Een treurig schouwspel.
Maar als het dan allemaal gelukt is, en er zomaar een groepje hongerige mensen op straat staat te genieten van een chemische hap, heeft dat tegelijkertijd iets moois. 'Een stukje samenzijn', in Libelle-termen. Misschien moeten we de muur dus vooral zien als sociaal fenomeen, een wereld an sich. Hij brengt ons niet alleen obesitas en pukkels, maar ook verbroedering en saamhorigheidsgevoel.
Jammer genoeg duurde het lang voor dit laatste inzicht tot mij kwam. Ik dacht altijd dat de muur hoofdzakelijk om slecht eten draaide en zag enkel de treurige kant van het verhaal. De sociale potentie van de muur drong pas tot mij door toen ik kortgeleden mijn zoveelste kans misliep om deel te nemen aan de snackmuur-cultuur van Leeuwarden.
Het ging zo: een jongeman botste ter hoogte van de kroketten tegen me op en bood zijn excuses aan. Vervolgens draaide hij zich om en zei met een zwoele doch angstige blik: 'Wie bén jij eigenlijk?'
Kennelijk was de jongen er tot die avond van overtuigd geweest dat hij het hele nachtelijke klantenbestand van de Febo in Leeuwarden op zijn duimpje kende. Misschien was hij een soort Koning van de Muur aldaar, de leader of the snack pack.
Maar ik, in al mijn onwetendheid, was blind voor zijn subtiele toenaderingspoging. Compleet in de ban van de vette hap die me te wachten stond, reageerde ik met een gezapig: 'Ik? Ik kom voor een kaassoufflé!' 
Pas later drong de absurditeit van mijn antwoord tot me door. Ik at de kaassoufflé terwijl ik naar huis liep. Geen verbroedering, geen saamhorigheid. Alleen ik en een homp smeltkaas met paneermeel. Met de eenzaamheid kwam dan eindelijk het besef: misschien was de snackmuur helemaal niet zo tragisch, maar deed ik gewoon iets verkeerd.


Dinsdag 08 Maart 2011 op 22:42  |   Twee reacties  |  
  |    |