fiets

Omdat ik graag van mezelf denk dat ik een geëmancipeerde vrouw ben, vind ik dat ik zelf mijn fietsband moet plakken wanneer deze lek is. Ik kan immers ook bier drinken en hard lachen om lompe grappen, en op een goede dag heb ik helemaal zelf een draadloze netwerkkaart in mijn computer gemonteerd. Een band plakken zou een volstrekt logische volgende stap zijn.

Met die gedachte in mijn achterhoofd heb ik eens een hele middag besteed aan het plakken van welgeteld veertien lekken in mijn achterband. Telkens wanneer ik de binnenband met grote moeite weer terug in de buitenband had gepropt en hem vervolgens oppompte, liep hij langzaam weer leeg. En telkens  begon ik weer helemaal overnieuw. Ik heb er een talent voor om precies op de verkeerde momenten heel volhardend te zijn. Na een uur of vijf moest ik er bijna van huilen. Mannen zouden boos worden en God erbij halen, maar ik werd alleen maar intens verdrietig en belde verslagen mijn enige échte Vader op.

Want mijn vader kan alles. Hij is een do-it-yourself-man in hart en nieren, en natuurlijk was hij ook degene die me vol goede hoop mijn eerste Simson-plaksetje cadeau had gegeven. Die bewuste dag, echter, restte hem niets anders dan mij kalmpjes mededelen dat er bij zoveel lekken 'natuurlijk gewoon een nieuwe binnenband in moet'. Nóóit aan gedacht.

Sinds dat plakfiasco ben ik een beetje onzeker geworden over mijn zelfstandigheid. Het kon toch niet zo zijn dat ik zo'n vrouw zou worden die keer op keer fluitend door stukken glas fietst, en vervolgens hulpeloos en pruilend gaat zitten wachten tot iemand anders haar fiets repareert?

Jawel, dat kon. Onlangs heb ik mijn trots betreffende fietsperikelen voorgoed opzij gezet. Mijn band was weer eens zo plat als het achterhoofd van zo'n zielige baby die niet vaak genoeg omgedraaid wordt in zijn wiegje - nou ja, plat dus. Het was buiten te koud om te klussen, maar in mijn kleine fietsenschuurtje kreeg ik het niet eens voor elkaar om de fiets op zijn kop te zetten, laat staan om met verkleumde handen plakkertjes te knippen.

Vloekend als een kerel bracht ik mijn ijzeren ros voor het eerst in mijn leven naar een fietsenmaker. Daar werd ik, ondanks mijn geveinsde pruillip en traanogen, alsnog genadeloos afgezet. Vele euro's lichter zat ik drie dagen later (ja, echt) weer op mijn fiets. Weemoedig dacht ik aan mijn Simson-plakset, waar niet veel meer van over was na al die mislukte plakfestijnen. Maar ik had het geprobeerd, tot tranen toe, en misschien was dat wel wat telde.


Zondag 13 Februari 2011 op 21:26  |   Eén reactie  |  
  |    |  

bakkersmeisje, episode III

De Terror-Klant

Ik doe, zoals iedereen, af en toe wel eens iets doms op mijn werk. Zo kwam er pas een man binnen die me begroette met een opgewekt 'hallóóó!', waarop ik reageerde met een minstens zo enthousiast: 'Anders nóóóg!' Het was geen vraag. Het kwam er oprecht uit als een begroeting. Daarna was ik enkele seconden zo in de war dat ik alleen maar onnozel om me heen kon kijken, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat ik toch echt zelf degene was die dat gezegd had. Tja.

Ook heb ik wel eens een zware tas vol brood per ongeluk op het hoofd van een klein, onschuldig jongetje neergezet. Ik wilde het gevaarte aan zijn vader overhandigen, en had het kind simpelweg niet opgemerkt. De toonbank is hoog, het jongetje was klein en zwijgzaam. En ik? Ik vond het wel fijn dat die tas op mysterieuze wijze opeens veel lichter aanvoelde - die man deed er ook wel belachelijk lang over om zijn wisselgeld in zijn beurs te stoppen en de tas van me over te nemen. Ik had pas door dat ik al enige tijd tien kilo aan boodschappen op een fragiel kinderhoofdje liet rusten toen ik snikkend: 'Au.. papa, au-hau!' onder de tas vandaan hoorde komen. Het is nooit meer goedgekomen tussen ons.

Op dat soort momenten vind ik het heel begrijpelijk dat de klant denkt dat ik een achterlijke malloot ben. Het is een andere zaak wanneer mensen boos of neerbuigend tegen me doen zonder dat daar een aanleiding voor is. Ik maak regelmatig mee dat klanten bij het afrekenen tien cent bijgeven en er vervolgens snerend aan toevoegen: 'Of snap je het dan niet meer?' Gemeen lachje. Daar kan ik slecht tegen. Kom op, ook al zou ik daadwerkelijk de hersencapaciteit van een aap danwel Bonnie St. Claire hebben; doe gewoon niet zo onaardig en geef me de kans om mijn werk te doen, goed óf fout.

Bij die omhooggevallen mensen krijg ik spontaan de neiging om tijdens het snijden van het brood dingen te mompelen als: 'De dialectiek van Hegel was voor de Surrealisten onwerkbaar; desalniettemin bood het dialectisch materialisme zoals gepropageerd door Lenin evengoed geen soelaas. Nog wat krentenbollen erbij, of wordt het dan te moeilijk?'

Godzijdank ben ik verder nog maar gematigd verbitterd en gefrustreerd, en kan ik me doorgaans best snel over incidenten met terror-klanten heen zetten. Toch is er één persoon die me nog steeds boos maakt als ik aan hem terugdenk: Meneer Nolt. Dat mag hij best weten.

Meneer Nolt kwam op een dag zijn bestelling ophalen; twee halfjes sesam-tarwe. Voordat ik bestellingen meegeef, moet ik altijd eerst controleren of diegene wel daadwerkelijk besteld heeft en of het al betaald is. Maar daar had meneer Nolt geen boodschap aan. Terwijl ik ons bestellingenboek doorbladerde, tetterde hij onophoudelijk in mijn oor: 'Ja, twee halfjes sesam-tarwe zeg ik toch! Voor Nolt! Twee halfjes, dat hoor jij te weten! Die hoor je apart te leggen! Of heb je dat niet gedaan ofzo?! NOLT! Voor Nolt! Toe dan!' Hij werd roder en roder. Perplex zocht ik zijn brood op, gaf hem zwijgend zijn wisselgeld en keerde hem kordaat de rug toe om de broodplanken schoon te gaan maken. Te moeilijk, Nolt.


Maandag 07 Februari 2011 op 14:20  |   Twee reacties  |  
  |    |